zaterdag 2 augustus 2014
9 juli
Er was niet meer nodig dan een paar woorden
Op 9 juli omstreeks zevenen kwam je bericht
Je was gelukkig, zo luidde het onderschrift
Waren er dingen die mij harder konden treffen
Een vrachtwagen, rood, zonder adequaat bestuurder
Of de eeuwige val vanuit de richel die ik altijd mijd
We draaiden vroeger zo lang om elkaar en later
Telden we rode auto’s en seconden van zweven
Hetgeen nu ‘vallen’ heet. ‘vallen op beton’
Hoe ik zei je lach, je ogen en je huid, hoe je tolde
Dolde met vingers die naarstig zochten naar houvast
Op de richel die we vonden en besloten ieders weegs
Buiten wordt het donker lief
Tijd om de ramen te sluiten
Hoop dat het goed met jou gaat
zondag 20 juli 2014
Zo pluk je wat
In jouw straat staan de cijfers zwart
Zonder kleur bieden ze een summier beeld
Van de wensen aldaar
Een huis, pais en vree, zo veel meer is
daarbuiten nog, schijn je dat te voelen
als je me aanraakt?
Dat ik alles verloor en her en der kleur
schraap met klauwnagels over daken
langs je wang en oog
Voordat ik verder ga, omwille van
connecties, kennis en dat ik je stiekem
wil begrijpen
Zodat ik je mag schrijven
als ik al lang en breed
Je kleur vervaag
Zonder kleur bieden ze een summier beeld
Van de wensen aldaar
Een huis, pais en vree, zo veel meer is
daarbuiten nog, schijn je dat te voelen
als je me aanraakt?
Dat ik alles verloor en her en der kleur
schraap met klauwnagels over daken
langs je wang en oog
Voordat ik verder ga, omwille van
connecties, kennis en dat ik je stiekem
wil begrijpen
Zodat ik je mag schrijven
als ik al lang en breed
Je kleur vervaag
vrijdag 18 juli 2014
-
Ik steeg de lucht in lief, zacht
Met nuchtere vliegangst en altijd
dacht ik wel ‘ergens’ in het achterhoofd,
met de lach die onderdrukt
Ik steeg de lucht in vriend, steeds hoger
waar ‘t rommelen van mijn maag altijd stokt
als het personeel rumoert en de gang
barricadeert met het karretje vol prijzig bier
Ik steeg de lucht in mam, pap,
We gleden door de wolken - mijn gedachten aan
-in het blauw van de eindigende dag-
jullie; en de afstand die groeide
Ik steeg de lucht in en kwam neer
En onze blikken richten zich huiswaarts
Naar u en jou en haar,zij, hij en hen
Wij kropen in jullie en gaan niet.
Nooit meer weg…
We stijgen op naar jullie hoofden
Dalen neer met steken vuur
Vlammen onbegrip en onmacht
Vlammen pijn en nog geen troost, maar…
We gaan niet weg
landen elke dag opnieuw
zacht op uw gemis en koesteren
de ruimte van uw binnenwegen
Wetende dat we mogen blijven.
X
Met nuchtere vliegangst en altijd
dacht ik wel ‘ergens’ in het achterhoofd,
met de lach die onderdrukt
Ik steeg de lucht in vriend, steeds hoger
waar ‘t rommelen van mijn maag altijd stokt
als het personeel rumoert en de gang
barricadeert met het karretje vol prijzig bier
Ik steeg de lucht in mam, pap,
We gleden door de wolken - mijn gedachten aan
-in het blauw van de eindigende dag-
jullie; en de afstand die groeide
Ik steeg de lucht in en kwam neer
En onze blikken richten zich huiswaarts
Naar u en jou en haar,zij, hij en hen
Wij kropen in jullie en gaan niet.
Nooit meer weg…
We stijgen op naar jullie hoofden
Dalen neer met steken vuur
Vlammen onbegrip en onmacht
Vlammen pijn en nog geen troost, maar…
We gaan niet weg
landen elke dag opnieuw
zacht op uw gemis en koesteren
de ruimte van uw binnenwegen
Wetende dat we mogen blijven.
X
dinsdag 8 juli 2014
Veghel: Twee jaar stadsdichter
Zo waren de uitgestrekte dagen ijl en broos, ijs als laag op woestenij
en winterdagen die weergaloos wit verspreiden in afwachting van
het krakend groen … en het kwam
Het waren twee jaren dat grassprieten piepten over de witte vlakten
en zagen, keken naar wat en waar met wie en hoe de zon stond
ten opzichte van de dag die tuimelde in de nacht die volgde
Meer groen werd allengs helderder en sterren in slaaptijd deden
schepjes op de vredelievendheid als men zalig sliep en wij maar
broeden met de drank en besognes die alleen het holst zich toe-eigent
Wij liepen door de Hoogstraat met walmende ogen en rookten
sloegen ineen de armen en bogen onze hoofden naar de schier
onmogelijke poëzie die ons ter oren kwam in zinnen die men nimmer herhaalt
Wakker in de zengende zomerhitte droegen we petten om in de schaduw
het heil te vinden en de hoofden koel te houden met wissewasjes onderwijl
wij voortbewegen naar de silo’s van de Noordkade waar men steeds meer vertoeft
En terecht kwamen we als afzakkende in de stijgende sfeer van zwoele
Merengue en opzwepende Jazz die zondagmiddagen tilde en tolde alsof
alsof wat? alsof alles kon … en het kon
Dwalen we door de Bunders waar de weg een helse pijn in de benen
teweeg brengt omdat men huisnummer 13 niet kan vinden en de straatnaam
verandert bij de volgende stap die je rechtdoor zet en het nog steeds
Zomer is
De Zwaluw verdampt dan in okerkleuren waar de regen je inkt weg wast
en amorf neer laat dalen op het papier dat je voor het gemak bij je draagt
de Aa nu geel en bruin en het helderrood kolkt hoger de verhalen
Het park kleurt de zin in port en haardvuur of koffie op de Markt waar
het bruist zoals Veghel ook sprankelt in het naderende winterlicht
dat glibbert als een aal die zijn prooi in zicht heeft en weldra toehapt
En dat alles keer twee.
Op papier
En voor u
zondag 22 juni 2014
Zomerochtend
De zon prikkelt het raamwerk
verscholen achter de gordijnen
stuift licht door stof
Een dergelijke ochtend
in de zomer met het kloppen
van een nieuwe dag op de slapen
de
verscholen achter de gordijnen
stuift licht door stof
Een dergelijke ochtend
in de zomer met het kloppen
van een nieuwe dag op de slapen
de
vrijdag 20 juni 2014
Of waarom de mens zichzelf mag tegenspreken.
Via een hoop omzwervingen (een noodzaak) over de talloze wegen, die kronkelend en met veel hobbels een zekere toekomst aan het zicht ontnamen, kwam ik plotsklaps terecht op een camping nabij Den Haag met het enige bezit dat ik op dat moment had: een boek, een gevonden kladblok, een potlood en een fiets. De kleren die ik droeg waren toe aan een wasbeurt, regen en stof waren in hen gekropen en hadden daar een verbond gesmeed met de sappen die ik tijdens de lange fietstochten had laten lekken uit mijn tere en ietwat broze jongenslichaam. Ook dat lijf kon een wasbeurt gebruiken. Een frisse douche zou me goed doen. Soms verbaas ik me over het feit dat, bijvoorbeeld een warme douche, meer waarde krijgt naarmate je er langer van verstoken blijft.
Het pad naar de camping toe is alles wat je er van verwacht. Een landweggetje niet meer dan een smalle strook aan gehavend, ruw asfalt komt uit op een zandpad. Door de droogte stoft de bovenste laag zand omhoog bij elk zuchtje wind, elke fietser die passeert, elke wandelaar tekent aardebruin pigment door de lucht, daarbij zweeft de kleur tot een twee meter boven het pad, over het gelaat van de passant, in diens neus, de luchtwegen –alles een aardebruin. Paden die je tekenen, je vergeet ze niet snel.
~
De verhalen waren op, al een poosje nu. Alles wat er te zien was in mijn bestaan, was eveneens met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te voorspellen. Men stond op, dronk koffie, moest de deur uit voor boodschappen en moest wachten op de post die je de verplichtte te antwoorden, of dat nu in huis was of op het werk, het was volstrekt om het even. Soms greep men naar de hoorn van de telefoon en toetste daar de cijfers in die je in verbinding zouden moeten brengen met de persoon die de antwoorden had, en vice versa, als jij de persoon met de vraag van antwoorden moest voorzien. De wegen van en naar mijn huis en naar mijn werk, uitgesleten paden, waar slechts een onbekende te voet nog een bezichtiging was.
~
De uitbater was een man met een wankele neus, een stoppelbaard en zwaar aangezette wenkbrauwen die van oorsprong een helblond zijn geweest. Tussen de haren in zitten te puntjes die zijn buitenbestaan verraden. Hij is vriendelijk en bied me voor drie nachten een caravan aan. Ik zal wat tochtjes moeten maken naar Den Haag, voor post, boodschappen en daarnaast wat rondes moeten maken over de camping. Hij verdient mijn dank, maar als ik hem die geef, wuift hij me weg en legt me uit waar de wasmachine staat, waar de douches zijn en waar mijn caravan staat.
~
Post bleef een poosje in stapeltjes op mijn bureau liggen, thuis op het dressoir stapelde een torentje zich op. Het was geen angst de post open te maken. Het was desinteresse. De dagen sleepte zich voort als lege bladzijden van een boek dat gelezen dient te worden voor het eindexamen Nederlands, met de opdracht een verslag te maken, over niets. Weken waren rotonden, waar, als je er op beland was, de afslagen weg waren genomen en je rond en rond ging om te zwaaien naar de herkenningspunten. Maanden, de gladgestreken overhemden van maandag, dinsdag, woensdag… Ik had tot die tijd zo veel in mijzelf opgenomen, nutteloze dingen, dat ik de wens ontwikkelde weer te zijn wat ik van oorsprong was geweest. Een leeg vat.
~
Naast het zandpad hoor je het ritselen, kleine vogeltjes, veldmuisjes en al wat er nog meer schuilt in de begroeiing stuift weg als ik langs peddel naar Den Haag. Het is een goede 14 kilometer fietsen, maar ik heb inmiddels het veertienvoud van 14 kilometer in de benen. Toch voelt het zwaar, lood in de benen. Er mag dan geen wind zijn, de zon mag matig zijn op deze vroege ochtend, ik trap me een ongeluk omdat ik niet naar de stad wil. Ik zal de mensen zien in de habitat die zij zichzelf hebben aangemeten. De mores. De gestructureerde stratenplannen. Gebouwen met daarin de kantoren en winkels en garageboxen voor de auto’s en de postkantoren en brandweerkazernes. Het voelt zo groot, maar als ik de stadsrand passeer is er niets van de angst meer over. Het voelt, ja, hoe voelt het? Als een warme douche.
Het pad naar de camping toe is alles wat je er van verwacht. Een landweggetje niet meer dan een smalle strook aan gehavend, ruw asfalt komt uit op een zandpad. Door de droogte stoft de bovenste laag zand omhoog bij elk zuchtje wind, elke fietser die passeert, elke wandelaar tekent aardebruin pigment door de lucht, daarbij zweeft de kleur tot een twee meter boven het pad, over het gelaat van de passant, in diens neus, de luchtwegen –alles een aardebruin. Paden die je tekenen, je vergeet ze niet snel.
De verhalen waren op, al een poosje nu. Alles wat er te zien was in mijn bestaan, was eveneens met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te voorspellen. Men stond op, dronk koffie, moest de deur uit voor boodschappen en moest wachten op de post die je de verplichtte te antwoorden, of dat nu in huis was of op het werk, het was volstrekt om het even. Soms greep men naar de hoorn van de telefoon en toetste daar de cijfers in die je in verbinding zouden moeten brengen met de persoon die de antwoorden had, en vice versa, als jij de persoon met de vraag van antwoorden moest voorzien. De wegen van en naar mijn huis en naar mijn werk, uitgesleten paden, waar slechts een onbekende te voet nog een bezichtiging was.
De uitbater was een man met een wankele neus, een stoppelbaard en zwaar aangezette wenkbrauwen die van oorsprong een helblond zijn geweest. Tussen de haren in zitten te puntjes die zijn buitenbestaan verraden. Hij is vriendelijk en bied me voor drie nachten een caravan aan. Ik zal wat tochtjes moeten maken naar Den Haag, voor post, boodschappen en daarnaast wat rondes moeten maken over de camping. Hij verdient mijn dank, maar als ik hem die geef, wuift hij me weg en legt me uit waar de wasmachine staat, waar de douches zijn en waar mijn caravan staat.
Post bleef een poosje in stapeltjes op mijn bureau liggen, thuis op het dressoir stapelde een torentje zich op. Het was geen angst de post open te maken. Het was desinteresse. De dagen sleepte zich voort als lege bladzijden van een boek dat gelezen dient te worden voor het eindexamen Nederlands, met de opdracht een verslag te maken, over niets. Weken waren rotonden, waar, als je er op beland was, de afslagen weg waren genomen en je rond en rond ging om te zwaaien naar de herkenningspunten. Maanden, de gladgestreken overhemden van maandag, dinsdag, woensdag… Ik had tot die tijd zo veel in mijzelf opgenomen, nutteloze dingen, dat ik de wens ontwikkelde weer te zijn wat ik van oorsprong was geweest. Een leeg vat.
~
Naast het zandpad hoor je het ritselen, kleine vogeltjes, veldmuisjes en al wat er nog meer schuilt in de begroeiing stuift weg als ik langs peddel naar Den Haag. Het is een goede 14 kilometer fietsen, maar ik heb inmiddels het veertienvoud van 14 kilometer in de benen. Toch voelt het zwaar, lood in de benen. Er mag dan geen wind zijn, de zon mag matig zijn op deze vroege ochtend, ik trap me een ongeluk omdat ik niet naar de stad wil. Ik zal de mensen zien in de habitat die zij zichzelf hebben aangemeten. De mores. De gestructureerde stratenplannen. Gebouwen met daarin de kantoren en winkels en garageboxen voor de auto’s en de postkantoren en brandweerkazernes. Het voelt zo groot, maar als ik de stadsrand passeer is er niets van de angst meer over. Het voelt, ja, hoe voelt het? Als een warme douche.
vrijdag 13 juni 2014
De WK-Klucht van de NOS
De goddelijke kanaries stonden gisteren aan de aftrap van de openingswedstrijd van het WK-voetbal, in de geïmproviseerde studio liep een hond, zat een vervelende man met halflang haar te veel te praten, werden de anekdoten van de heer Hiddink afgestoft en wederom de wereld in geslingerd, naar ons, maar ook naar de loslopende hond en naar Milow en naar Hugo Borst die er weer iets fitter uitzag dan de laatste keer dat ik hem op de televisie zag, net na zijn boek over Van Gaal, waar hij duidelijk door getergd was, en als het dat niet was, dan toch wel door de drugs waarvan ik hem verdacht die in groten getale te nemen, dezelfde Hugo die Guus ‘Guus’ noemde alsof ze vroeger al samen op school hadden gezeten en stiekem hadden gegluurd naar de meisjes die gingen douchen na de gymles en er een voorliefde voor ballen tussen de heren was ontstaan, een douche ook waar de presentator naar zal hebben verlangd, wat een grote zweetvlekken hadden zich gevormd onder diens oksels.
Ondertussen was mooi wel het WK begonnen en zat ik te kijken alsof ik naar de eerste landing op de maan zat te kijken, hetgeen ik helemaal niet mee heb gemaakt, maar met een vergelijkbare spanning zou hebben willen zien. Ik lag op het puntje van de bank, mijn hoofd lag niet in de kussens maar hing daar net boven. Ondertussen dacht ik aan de gutsende oksels van Henry Schut, hoe hij heeft moeten denken: hoe kan ik dit verbergen? Hoe reageert Social Media op mijn kleine-jongens-spanning die in mijn uiterlijk terug te zien is?
Ach arme.
Vervolgens vond ik de wedstrijd saai. Al dat aftellen resulteerde in een anticlimax. Als vanzelf zakte mijn hoofd weg in de kussens, dacht ik aan de hond en aan Milow. Milow, de meerwaarde van deze meneer begreep ik nog minder dan die van de hond die rondhuppelde op zoek naar een plek om een dikke drol te draaien. Sterker, ik vond het sneu voor Milow daar stil te zitten in de studio, met zijn opgepoetste gitaartje, met daarop pontificaal de Belgische vlag als mislukt statement tussen de Nederlanders. Sneu vond ik het voor de man met het halflange haar die zichzelf zo opzichtig had willen bewijzen, met zijn feitjes en feitjes en weetjes en geblala. Vond ik het sneu voor Henry Schut en voor Hiddink, dat hij plaats moest nemen op een bank in een huiskamer die geen huiskamer was, maar een studio -dat kan je niet ontkennen.
Een bank zit alleen lekker als je thuis onderuitgezakt zit, als je met echte vrienden aan het bier zit, of als je hard gewerkt hebt, maar je zult niet lekker zitten, nooit, in de geïmproviseerde setting van de huiskamer. Niemand zat ontspannen en dat zag je. Het praat niet makkelijk zonder drank, het komt gemaakt over. Het neemt de angel weg. Vanaf een tafel zie je de mensen voor vol aan, mensen hebben automatisch meer verstand als ze aan een tafel zitten, ze kunnen zich dan ook beter ontspannen, de oksels verbergen en zich richten tot diegene tegen wie ze spreken. De tafel kan men zien als een keukentafel, hetgeen op televisie prevaleert boven de huiskamer. De bank maakte van experts gewone mensen, met zweet en onzekerheden. Alleen Hugo Borst zat op zijn plek…
..en de hond.
Ondertussen was mooi wel het WK begonnen en zat ik te kijken alsof ik naar de eerste landing op de maan zat te kijken, hetgeen ik helemaal niet mee heb gemaakt, maar met een vergelijkbare spanning zou hebben willen zien. Ik lag op het puntje van de bank, mijn hoofd lag niet in de kussens maar hing daar net boven. Ondertussen dacht ik aan de gutsende oksels van Henry Schut, hoe hij heeft moeten denken: hoe kan ik dit verbergen? Hoe reageert Social Media op mijn kleine-jongens-spanning die in mijn uiterlijk terug te zien is?
Ach arme.
Vervolgens vond ik de wedstrijd saai. Al dat aftellen resulteerde in een anticlimax. Als vanzelf zakte mijn hoofd weg in de kussens, dacht ik aan de hond en aan Milow. Milow, de meerwaarde van deze meneer begreep ik nog minder dan die van de hond die rondhuppelde op zoek naar een plek om een dikke drol te draaien. Sterker, ik vond het sneu voor Milow daar stil te zitten in de studio, met zijn opgepoetste gitaartje, met daarop pontificaal de Belgische vlag als mislukt statement tussen de Nederlanders. Sneu vond ik het voor de man met het halflange haar die zichzelf zo opzichtig had willen bewijzen, met zijn feitjes en feitjes en weetjes en geblala. Vond ik het sneu voor Henry Schut en voor Hiddink, dat hij plaats moest nemen op een bank in een huiskamer die geen huiskamer was, maar een studio -dat kan je niet ontkennen.
Een bank zit alleen lekker als je thuis onderuitgezakt zit, als je met echte vrienden aan het bier zit, of als je hard gewerkt hebt, maar je zult niet lekker zitten, nooit, in de geïmproviseerde setting van de huiskamer. Niemand zat ontspannen en dat zag je. Het praat niet makkelijk zonder drank, het komt gemaakt over. Het neemt de angel weg. Vanaf een tafel zie je de mensen voor vol aan, mensen hebben automatisch meer verstand als ze aan een tafel zitten, ze kunnen zich dan ook beter ontspannen, de oksels verbergen en zich richten tot diegene tegen wie ze spreken. De tafel kan men zien als een keukentafel, hetgeen op televisie prevaleert boven de huiskamer. De bank maakte van experts gewone mensen, met zweet en onzekerheden. Alleen Hugo Borst zat op zijn plek…
..en de hond.
Abonneren op:
Posts (Atom)