vrijdag 28 februari 2014

Wenneding

Wennen ding
Aan alles
Omdat ruimte beperkt

Wennen ding
Aan strebers
Als ik

Roulerend in je schaduw
Als ranke tak
In de leerschool

Jij blijft drijven
Als twijgje
In de stroom

Als enige, ziet iedereen
je daar, in de kolkende
massa, omdat: uniek

Je bent potlood
in zand, zwaard:
in kinderhanden

Je bent het onderdeel
Van een robuust huis
En de nerf van het blad

Kinderen willen bij je
zijn, zeker met rode
fietsjes

en een kutvader

Trechter

Ze had twee varkensoren op haar hoofd
Een decolleté die uitmondde
In de delta van de Tanger

Bezweet met een glas bier
Schudde er druppels vet vocht
Uit heur haren

Ze stortte zich op elke man
Hijgend in de oren
Bevlekkend met spuug en stank

Vochten de mannen en jongens
Zich vrij uit haar schacht

Gelijk de Tanger delta
Op een perkamenten atlas
Tijdens carnaval

woensdag 26 februari 2014

stipjes

Je laat overal stipjes achter
vlekjes die perfect rond zijn
polkadotblauw en lila-paarsig

Op de stoep kleven ze nog
plakken ze aan mijn schoeisel
houden me net dat even vast

Je stipjes
-als ik mijn ogen
sluit en knijp, zoals ik vaak
poog te doen om iets uit te bannen;
zijn ze er in grote getale
alsof ik elke stipje met open kijkers
verzamel -ze opspaar om de wirwar
niet meer te snappen

Ik tel je.
bij elke derde
sla ik op

bij elke zesde
tel ik één

Alleen speel ik galgje
en win steeds voor de strop









zaterdag 8 februari 2014

Oranje-Blanje-Bleu

De straten zijn blank in dit vervloekte jaar
Twee aan twee lopen mannetje-vrouwtje
Er dartelen kinderen in zacht blond

Sommige jongetjes spuwen stoer op het
grijze wegdek, naast de verzuilde huizen
De hoofden stampen resoluut in de maat

Toiletpapier is vederzacht jolijt voor de billen
Veertienlaags ultradun vernuft spreidt tussen
de zachte weekte, roomblank, roomblank

In het park loopt men inheems, op zondag
mag je zachtjes schrijden en ijsjes eten
Daar huilen ook de kinderen om gevallen sneeuw

Maandag rijdt de massa, zoals vrijdag huiswaarts
“We zijn de autarkische staat, ieder is gelijk”
Thuis wacht dan het smeersel voor de week, luxe

Tegen de expansiedrift

Er zitten grenzen om het bestaan, kleur is ver
voorbij de Marechaussee, waar het hoort, zo
zegt men steeds opnieuw en handelt daar naar

Sporadisch zijn de gedachten nog vrij, soms hoef
je niets te beteugelen –het is alleen bijzonder jammer
dat je dan slaapt.

er valt niets meer te verkiezen.

maandag 3 februari 2014

Kunstacademiemeisje

Alles aan haar is zwart
Schoenen
Haren
Maillot
Rok en jas

Haar huid lijkt door alles
een tint lichter
En ze doet kunstacademie
Haar vriendin -naast haar
Is ook in het zwart, maar dan
Met blond

Zij gaat naar Zuid Afrika

En ik weiger verliefd te worden
Maar schurk tegen zwichten
Faal, als fluiten met beschuit

donderdag 30 januari 2014

Gesprek


Op de vestibule links
liep een man mijn kant op
nam plaats op de bank

Ik bladerde wat verder
trok mijn kraag op

Wat denk je, vroeg hij me
Ik zei geen gedachten te hebben
hij zei, oh, dat voor een poëet
Hij nam een hap van beschimmeld brood

met een vale broek vol vlekken
gelijkend pastinaak
en gekookte witlof
zei ik de man u lijkt wel een maaltijd

donderdag 23 januari 2014

Een gedicht in de krant (Gedichtendag 2014)

Beste ********,

U belde mij met een zekere schuchterheid en u vroeg me of ik een gedicht wou schrijven voor aankomende Gedichtendag. Dat kwam mooi uit, want ik ben dichter. Een dichter benoemd door de gemeente, dus u was aan het goede adres. Met plezier heb ik een paar dagen nagedacht over de juiste vorm, de woorden en het thema dat u mij mee gaf, ‘verwondering’ –met betrekking tot de gemeente waar ik woonachtig ben. Na een paar dagen wist ik de beginzin. Ik wist wat mij verwonderde toen ik in Veghel ging wonen. Daaropvolgend schreef ik mijn gedicht, met witregels. Op donderdag 23 januari 2014 zou hij in de krant staan. Aandacht voor het gedicht (of de poëzie) is gering, dientengevolge was ik erg verguld met het feit dat u aan me dacht.

12 tot 14 regels vroeg u. U belde er nog voor terug. “het mogen er ook 14 zijn”.

Uiteindelijk koos ik voor een gedicht van 14 regels, dat ontstond zo tijdens het schrijven. Ik stuurde het u. De reactie was zo fijn. Uw woorden waren: “Bedankt voor dit mooie gedicht. Donderdag prijkt het in onze krant.” Gelukkig is het goed binnengekomen –hoe fijn, dacht ik nog. In diezelfde e-mail vroeg u nog om een foto van mij, die heb ik u vervolgens toegestuurd. Ook daarop volgde een antwoord, het was een leuke foto volgens u. Zo gaf ik u, in uw ogen een mooi gedicht en een mooie foto. Voor mij was de transactie voltooid en kon ik achteruit hangen om te wachten op de krant van donderdag. Joepie.

Klaarblijkelijk, echter, hebt u mij nog een e-mail toegezonden. Eén die ik vandaag (23 januari 2014) pas las. De witregels waren –omwille van de lay-out- komen te vervallen. Er konden wel twee witregels tussen, waarvan u bepaalde waar die dan kwamen. Alles omwille van de lay-out.

Ik las het te laat, mijn e-mail wordt niet 24 uur per dag bijgehouden, wellicht had u mij ook kunnen bellen, dacht ik deze ochtend nog.

De essentie van Gedichtendag is dat ‘het gedicht’ centraal staat, en niet dat de lay-out de vorm van een gedicht kan (of zou mogen) bepalen. Het heet immers Gedichtendag, geen Lay-Out dag. Een gedicht kunt u in dit geval vergelijken met een schilderij. Een schilderij dat niet helemaal past in de lijst die je hebt aangeschaft. Knipt u daar dan een stuk vanaf? Dat lijkt me sterk.

Een gedicht (inclusief witregels) mag bestempeld worden als een kunstvorm. Dat kan misschien wat hautain klinken, niettemin heeft de schrijver een doel voor ogen, een boodschap te verkondigen en kiest hij of zij voor een duidelijke vorm. Mijn overtuiging is dat er aan de vorm van een gedicht niet getornd mag worden, zoals een schilderij niet in stukken geknipt mag worden om in een lijst te passen.

Vandaag staat mijn gedicht in de krant, zonder of met aangepaste witregels. Ik weet het niet. Deze ochtend waren de winkels gesloten, ik heb nog geen krant kunnen kopen. De lay-out zal vast prachtig zijn, het gedicht zal alleen niet in de juiste vorm staan. Mijn gedicht in de krant, ik kan het niet meer bestempelen als mijn gedicht. Immers schreef ik voor Gedichtendag, niet voor de omringende esthetiek.