zondag 22 juni 2014

Zomerochtend

De zon prikkelt het raamwerk
verscholen achter de gordijnen
stuift licht door stof

Een dergelijke ochtend
in de zomer met het kloppen
van een nieuwe dag op de slapen
de

vrijdag 20 juni 2014

Of waarom de mens zichzelf mag tegenspreken.

Via een hoop omzwervingen (een noodzaak) over de talloze wegen, die kronkelend en met veel hobbels een zekere toekomst aan het zicht ontnamen, kwam ik plotsklaps terecht op een camping nabij Den Haag met het enige bezit dat ik op dat moment had: een boek, een gevonden kladblok, een potlood en een fiets. De kleren die ik droeg waren toe aan een wasbeurt, regen en stof waren in hen gekropen en hadden daar een verbond gesmeed met de sappen die ik tijdens de lange fietstochten had laten lekken uit mijn tere en ietwat broze jongenslichaam. Ook dat lijf kon een wasbeurt gebruiken. Een frisse douche zou me goed doen. Soms verbaas ik me over het feit dat, bijvoorbeeld een warme douche, meer waarde krijgt naarmate je er langer van verstoken blijft.

Het pad naar de camping toe is alles wat je er van verwacht. Een landweggetje niet meer dan een smalle strook aan gehavend, ruw asfalt komt uit op een zandpad. Door de droogte stoft de bovenste laag zand omhoog bij elk zuchtje wind, elke fietser die passeert, elke wandelaar tekent aardebruin pigment door de lucht, daarbij zweeft de kleur tot een twee meter boven het pad, over het gelaat van de passant, in diens neus, de luchtwegen –alles een aardebruin. Paden die je tekenen, je vergeet ze niet snel.

~

De verhalen waren op, al een poosje nu. Alles wat er te zien was in mijn bestaan, was eveneens met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te voorspellen. Men stond op, dronk koffie, moest de deur uit voor boodschappen en moest wachten op de post die je de verplichtte te antwoorden, of dat nu in huis was of op het werk, het was volstrekt om het even. Soms greep men naar de hoorn van de telefoon en toetste daar de cijfers in die je in verbinding zouden moeten brengen met de persoon die de antwoorden had, en vice versa, als jij de persoon met de vraag van antwoorden moest voorzien. De wegen van en naar mijn huis en naar mijn werk, uitgesleten paden, waar slechts een onbekende te voet nog een bezichtiging was.

~

De uitbater was een man met een wankele neus, een stoppelbaard en zwaar aangezette wenkbrauwen die van oorsprong een helblond zijn geweest. Tussen de haren in zitten te puntjes die zijn buitenbestaan verraden. Hij is vriendelijk en bied me voor drie nachten een caravan aan. Ik zal wat tochtjes moeten maken naar Den Haag, voor post, boodschappen en daarnaast wat rondes moeten maken over de camping. Hij verdient mijn dank, maar als ik hem die geef, wuift hij me weg en legt me uit waar de wasmachine staat, waar de douches zijn en waar mijn caravan staat.

~

Post bleef een poosje in stapeltjes op mijn bureau liggen, thuis op het dressoir stapelde een torentje zich op. Het was geen angst de post open te maken. Het was desinteresse. De dagen sleepte zich voort als lege bladzijden van een boek dat gelezen dient te worden voor het eindexamen Nederlands, met de opdracht een verslag te maken, over niets. Weken waren rotonden, waar, als je er op beland was, de afslagen weg waren genomen en je rond en rond ging om te zwaaien naar de herkenningspunten. Maanden, de gladgestreken overhemden van maandag, dinsdag, woensdag… Ik had tot die tijd zo veel in mijzelf opgenomen, nutteloze dingen, dat ik de wens ontwikkelde weer te zijn wat ik van oorsprong was geweest. Een leeg vat.
~

Naast het zandpad hoor je het ritselen, kleine vogeltjes, veldmuisjes en al wat er nog meer schuilt in de begroeiing stuift weg als ik langs peddel naar Den Haag. Het is een goede 14 kilometer fietsen, maar ik heb inmiddels het veertienvoud van 14 kilometer in de benen. Toch voelt het zwaar, lood in de benen. Er mag dan geen wind zijn, de zon mag matig zijn op deze vroege ochtend, ik trap me een ongeluk omdat ik niet naar de stad wil. Ik zal de mensen zien in de habitat die zij zichzelf hebben aangemeten. De mores. De gestructureerde stratenplannen. Gebouwen met daarin de kantoren en winkels en garageboxen voor de auto’s en de postkantoren en brandweerkazernes. Het voelt zo groot, maar als ik de stadsrand passeer is er niets van de angst meer over. Het voelt, ja, hoe voelt het? Als een warme douche.

vrijdag 13 juni 2014

De WK-Klucht van de NOS

De goddelijke kanaries stonden gisteren aan de aftrap van de openingswedstrijd van het WK-voetbal, in de ge├»mproviseerde studio liep een hond, zat een vervelende man met halflang haar te veel te praten, werden de anekdoten van de heer Hiddink afgestoft en wederom de wereld in geslingerd, naar ons, maar ook naar de loslopende hond en naar Milow en naar Hugo Borst die er weer iets fitter uitzag dan de laatste keer dat ik hem op de televisie zag, net na zijn boek over Van Gaal, waar hij duidelijk door getergd was, en als het dat niet was, dan toch wel door de drugs waarvan ik hem verdacht die in groten getale te nemen, dezelfde Hugo die Guus ‘Guus’ noemde alsof ze vroeger al samen op school hadden gezeten en stiekem hadden gegluurd naar de meisjes die gingen douchen na de gymles en er een voorliefde voor ballen tussen de heren was ontstaan, een douche ook waar de presentator naar zal hebben verlangd, wat een grote zweetvlekken hadden zich gevormd onder diens oksels.

Ondertussen was mooi wel het WK begonnen en zat ik te kijken alsof ik naar de eerste landing op de maan zat te kijken, hetgeen ik helemaal niet mee heb gemaakt, maar met een vergelijkbare spanning zou hebben willen zien. Ik lag op het puntje van de bank, mijn hoofd lag niet in de kussens maar hing daar net boven. Ondertussen dacht ik aan de gutsende oksels van Henry Schut, hoe hij heeft moeten denken: hoe kan ik dit verbergen? Hoe reageert Social Media op mijn kleine-jongens-spanning die in mijn uiterlijk terug te zien is?

Ach arme.

Vervolgens vond ik de wedstrijd saai. Al dat aftellen resulteerde in een anticlimax. Als vanzelf zakte mijn hoofd weg in de kussens, dacht ik aan de hond en aan Milow. Milow, de meerwaarde van deze meneer begreep ik nog minder dan die van de hond die rondhuppelde op zoek naar een plek om een dikke drol te draaien. Sterker, ik vond het sneu voor Milow daar stil te zitten in de studio, met zijn opgepoetste gitaartje, met daarop pontificaal de Belgische vlag als mislukt statement tussen de Nederlanders. Sneu vond ik het voor de man met het halflange haar die zichzelf zo opzichtig had willen bewijzen, met zijn feitjes en feitjes en weetjes en geblala. Vond ik het sneu voor Henry Schut en voor Hiddink, dat hij plaats moest nemen op een bank in een huiskamer die geen huiskamer was, maar een studio -dat kan je niet ontkennen.

Een bank zit alleen lekker als je thuis onderuitgezakt zit, als je met echte vrienden aan het bier zit, of als je hard gewerkt hebt, maar je zult niet lekker zitten, nooit, in de ge├»mproviseerde setting van de huiskamer. Niemand zat ontspannen en dat zag je. Het praat niet makkelijk zonder drank, het komt gemaakt over. Het neemt de angel weg. Vanaf een tafel zie je de mensen voor vol aan, mensen hebben automatisch meer verstand als ze aan een tafel zitten, ze kunnen zich dan ook beter ontspannen, de oksels verbergen en zich richten tot diegene tegen wie ze spreken. De tafel kan men zien als een keukentafel, hetgeen op televisie prevaleert boven de huiskamer. De bank maakte van experts gewone mensen, met zweet en onzekerheden. Alleen Hugo Borst zat op zijn plek…

..en de hond.



donderdag 5 juni 2014

Sprookjes in de bossen

Je vertelt me sprookjes in het wijkende avondlicht
terwijl ik al een poosje ril bij een gestorven haardvuur
kruip je tegen me aan, met een arm en de holte daaronder
waar ik lig en bid dat er een einde komt aan de aanstaande nacht

Over twijgjes bewegen stille geluiden die ik almaar fantaseer
zo zijn er wezentjes die geen ogen hebben en transparant wit
voelen en bewegen op de tast eten de adem van kinderen
ook zijn er rode rupsen waarop de strijders zitten met naalden
(van fijne dennengeur)

In de nokken van de bomen fluistert blad met oogjes
en tanden tussen elke nerf hangen zij naast het fruit dat
zover ik weet de munitie is die de tent zal raken erdoorheen
in mijn borstkasje -door de lucht komen de lantaarns vol vuur

En ik lig onder je arm bang en koud en je vertelt me sprookjes
hoe het zoet is en alles goed komt en ik geloof je want
de witte en de rode ook bladeren in de lucht waken over ons
opdat ons niet zal gebeuren en ik geloof je als je zegt

We leven nog lang en gelukkig

Je torent zo hoog als we de tent inkruipen en ik me veilig voel
door je immer zoete woorden zal ik slapen op de dunne laag tussen
mij en de woelende aarde; draagt jouw adem mijn slaap en droom ik
je zei me, ze leven nog lang en gelukkig

dat is niet waar pap
dat is een sprookje

maandag 2 juni 2014

Kikker- Vogelperspectief

het kind dat zou groeien tot de volwassene die ik nu ben
was ooit baby die louter in toonhoogten sprak, hoge noot
altijd de favoriet zo vertelde men later toen ik groter
bleek dan voorheen en ik me schaamde voor die verhalen

immers op je vijftiende wil je niet gezamenlijk horen
dat er plassertjes als onbemande brandweerslangen
en huilen om Bambi en Alleen op de wereld tijdens
biersessies met vrienden die meer klanken kennen dan gehuil

loeiende sirenes wanneer mijn ferme erectie ter sprake kwam in
een afgeslankte vorm als een pissebedje zonder poten
hoe de groene poep tussen de benen kleefde en op de muren
en handen en gezicht omdat ik kundig was met de pamper

nee, later zou ik er pas om kunnen lachen getooid met een
eigen zoon die zich robuust uitte in zijn begeerte en zich
klaarblijkelijk op zeer vroege leeftijd meester maakte
van de wens dingen te bezitten en te proeven zoals ik deed

ineens bleek er meer dan poep en pies en krijsen om melk
die vervolgens over de schouders van vele mensen terecht
zou komen en anekdoten die op feestjes de bovenhand zouden
voeren en lachsalvo’s af zouden vuren op het kleinood van weleer

met het kruipen en smeken kwamen langzaam de woorden
eerst zonder duiding later wankel als de dronkenman en ineens
zonder blikken of blozen in de auto als het donker is
de vraag, waarom reist de maan met ons mee?

zondag 1 juni 2014

We noemen haar Americana

Tegen wil en dank zou hij haar, het sujet, de nimf met een zwarte waterval aan prachtige haren uit haar hoofd, het meisje dat verpakt was als de degelijkheid zelf, maar ondertussen onder haar kleren alleen schreeuwde om meer porno met meer mannen, verdedigen tot zijn laatste snik. Onbewust had hij, dat wat wij noemen, een blinde vlek geplaatst over het gedeelte dat zij eveneens was. Hij was begeesterd, o ja. In die begeestering vergat hij echter goed te kijken. Verder te kijken naar de verdorvenheid, de poel met gitzwart water waar een zuigkracht in zat die volwassen mannen zou verslinden als ze zich overgaven in dat water, sterker hij zag niet dat zij met eksterogen zocht naar de blinkende juweeltjes op straat en in de kroegen van de nacht. Wij als vrienden zagen en registreerden en posteerden ons aan de zijde van het gelijk, hetgeen ook ons makke was, volgens hem. Wij zagen niet wat voor een vreugde zij in zijn leven bracht, hoe mooi ze vooral was bij het ontwaken.

Omdat wij niet willen krenken, dat zit niet in het bloed van ons, plaatsen wij enkel subtiele hints op het pad dat hij bewandelt. Helaas wandelt hij steeds minder, omdat waarde vrienden, hij altijd bij haar is, zij het niet in de fysieke vorm, dan toch zeker met zijn geest die als een kauwgom plakt aan de reet van het jonge schepsel.

Wij zien hem dus steeds minder, alsof hij in al zijn goedertierenheid heeft besloten dat het wijzer is achter zijn bureau een Magnus Opus voor haar te schrijven, een boekwerk waar alle aspecten van haar schoonheid geroemd zullen worden. Een boekwerk, dat zal lezen als de tast op een onbezoedeld lichaam, het reinste water dat je voor de eerste maal tot je neemt en waarvan je meteen voelt dat het een kracht bezit die elk beetje verloren vitaliteit terugbrengt in het vermangelde lijf dat je jarenlang hebt overgoten met drank en gebrek aan slaap, leest als een fris verschoond bed op een kamer waar de ramen open staan, de frisse lucht binnen komt en door de kier van de deur, de bittere geur van verse koffie neerdaalt in de kamer. Hij zal daarin falen. Zijn kennis is te veel gefocust op de schoonheid van het geheel, de begeestering is, in alle opzichten een gevaar voor zichzelf. Uiteindelijk zal het hem verwoesten. Maar nogmaals wie zijn wij.

Laten we haar een naam geven, dat schept een bond tussen u en ons. We geven haar een fictieve naam, bijvoorbeeld Americana, vanwege de veelzijdigheid van dit grote land: de Verenigde Staten. Uiteraard is er de schoonheid, de talloze puntjes hoogcultuur die je aan zou kunnen stippen in een tijdlijn, naast de talloze merken die ons dagelijks leven binnensijpelen om de weg naar onze magen te vinden, onze ogen binnen te dringen, alsook de lagere cultuur die met evenzoveel stipjes op een tijdlijn een nog grotere impact heeft op ons bestaan –Because I’m Bad- maar aan de andere kant is er ook de halsstarrigheid der Amerikanen, de onnodige dominantie, die gepaard met arrogantie een superioriteit teweegbrengt die zijn weerga niet kent en gespeend is van elke nuance. O Amerika, met je wonderschone steden, je hellingen en snelwegen die verstrengeld lijken met een zeker gevoel van vrijheid, eeuwige stukken rechtdoor, wolkenkrabbers die blinkend in het licht de goden verzoeken, de hamburger die geperfectioneerd is tot een delicatesse enerzijds, en voor een dollar de spons verkocht wordt anderzijds. O Amerika met het licht in de woestijn, met je Grand Canyon, die gelijk aan de vagina van zijn liefde zo’n aantrekkingskracht bezit. O Amerika, wier Empire State de harde roede is van een land die in staat stelt een dergelijke harde roede te fabriceren. O Amerika.

Onderwijl hij (in gedachten) schrijft over zijn Americana pareert hij de kritiek die wij uiten aan zijn adres. Zij is wonderschoon, zo puur als de chocolade, zo rein, ja als wat, als een strakblauwe hemel. Het enige smetje dat hij op zal nemen in zijn Magnus Opus zijn de kanttekeningen die wij plaatsen, de waarschuwingen die wij, zij het voorzichtig om hem niet te ontrieven, maken als het Americana aangaat. Gekscherend worden we weggeschreven in zijn gedachten. ‘Een kern van waarheid, o zeker, maar je moet haar niet zien zoals u dat doet, o nee, je moet de wirwar aan leugens die ze spint zien als een vorm van creativiteit.’ Ja, zo ken ik er nog wel meer.
In al zijn liefde staart hij zich blind op de navel waar ooit het voedsel binnen is gekomen, hij vergeet te dalen naar haar delta om te zien wie daar voer, hij negeert te kleine zuigplekjes in haar zij, de nagels die duidelijke tekens op haar rug hebben gezet en ook de knieën die wat rood zijn. De geur die ze draagt kan van derden zijn, hij ruikt alleen maar de Viburnum die bloeit in het vroege prille begin van het voorjaar.

En wij vallen hem niet aan, wij vallen haar –Americana- niet aan, en terecht. Hij heeft het recht zijn liefde te uiten, zoals ook wij zouden doen. Het is niet anders. Wij gunnen hem de ontluikende liefde en zijn blinde vlek, omdat in de beschrijvingen van haar aspecten louter liefde sprankelt. Dat wij beter weten is aan ons, wij kunnen die onvoorwaardelijke liefde plaatsen in het kader van de rede. Het sujet, zoals wij dat zien, heeft ook andere kanten, zo blijkt uit zijn loftrompet, schallend over de daken van ons weerwoord.

Wij werden uiteindelijk ook ooit verliefd, was het niet op Americana, dan vast op een ander, een Lolita of een La Superba (hetgeen fictieve namen zijn voor meisjes en niets meer dan dat). Wij zouden ook hen met hand en tand verdedigen, hoe zij het schimmenrijk waarin wij vertoefden licht bracht, waar zij, met haar fluisterstem in de ochtend bedankte voor koffie, wier haren zo roken als de eerste bui over vers gemaaid gras. Wij zouden blinde vlekken creëren. Zoals wij ook bij Americana deden. Immers lieten wij hem en zijn ode aan haar niet toe, omdat de beeldvorming reeds opgenomen was in het collectief dat wij zonder hem bespraken? Werden wij niet jaloers op de woorden die hij haar gaf toen we meeluisterden, lazen wat hij in zijn hoofd zoal schreef, de kennis over de meest intieme delen van een hoogstaande cultuur –op benen? Toch zeker. Wij zouden niets liever willen dan weten wat hij weet, hoe het is om met de schone kant van haar te vrijen.

Elk puntje dat hij aanstipt in de gesprekken is gedrenkt in de essentie van liefde, gespeend van elke vorm van cynisme, ironie, onkunde, sarcasme. Bij hem doen de andere kanten er niet toe, omdat er de schone kanten zijn. In elk mens schuilt iets moois. En dat mag. De balans mag doorslaan naar een louter lovende tirade over de schoonheid, de kunde. Daar schuilt een waarheid, een waarheid die niet per se die van ons hoeft te zijn. Een fictieve, die wellicht ‘echter’ voelt dan de perikelen in het ware leven.

Stel de liefde verdwijnt, bij hem, maar bij een van ons, die alsnog een luisterend oor heeft gegeven aan de hoogcultuur op benen, borrelt deze op, zijdelings via de vertakkingen die uiteindelijk tot haar, Americana leiden. Wij zouden ons ook mee laten slepen in de vele punten op haar tijdlijn, een eeuw bestrijken met beschrijvingen die weten te enthousiasmeren, te voeden en nieuwsgierig maken naar meer. Een van ons zal vallen voor Americana, omwille van die nieuwsgierigheid. Ik deed dat, schal nu de loftrompet en baad in een blinde vlek.