maandag 29 mei 2017

donderdag 18 mei 2017

Zondag




Tal van tierlantijntjes die als belletjes
ronddobberend in een grote tuin
de dauwdruppels van zich af schudden
op een zeer licht briesje

de dag heeft niets om het lijf
zij ligt naakt zonder bedoeling
erotiserend te zijn. Zij wil
er voor iedereen zijn. Nietsverhullend

stil. Schoon zonder iets op het blazoen
aanschouw ik haar als ze traag
in beweging komt en zich zo verplaatst
dat ik niet anders dan mee kan doen

donderdag 11 mei 2017

ontkiemen



In de grond zit een zaadje
Ik heb het daar zelf gestopt
Met mijn vinger maakte ik een gaatje
Nu kijk ik elke dag of er iets komt
Soms denk ik te weten wat het wordt
maar het was gewoon een zaadje
dat ik had

Zo praat ik tegen jou 
Over de tuin
En wat ik denk 
Fluister ik in je oor
en op je buik 

woensdag 10 mei 2017

Oude Dichter

De sater -in zijn plooien reeds beton
rond tanden wijken wortels
het mos dempt zijn stem-
draagt een lach als donkere bossen

wanneer de plichtpleging
minder vaak struikelt
over oude bladeren
van een trillende scribent













Alles



ik beeld mij een bed in
zonder naden
met een man
met nul anekdoten
met alles in bereik
en niets meer te wensen
memorabilia teniet
gedaan bij een schaarste
aan dromen en onder
glad ijs waarop niemand
zal schaatsen of breuken
zal vallen. Nooit met bezoek
tenzij hij dat graag wil
maar er is niets te wensen
hij heeft alles al

vrijdag 5 mei 2017

Fanmail

Een fiets staat naast het rek, er zit een foldertje aan. Vanaf hier lijkt het op een Amerikaanse vlag. Het frame van de fiets is omzwachteld met een zilverkleurig duct tape. Het is het enige teken van rebellie in mijn blikveld. Af en toe fietsen er mensen langs. Zij keuren de fiets geen blik waardig. Er liggen geen gebroken flesjes op straat of stukjes ander klein afval dat je inmiddels als vanzelfsprekend acht in het straatbeeld. Blikjes Coca Cola vooral. Er is niets. Het asfalt is donker gekleurd door eerdere regen en op sommige plekken droogt dat asfalt op, met name op de plek waar het verkeer de weg raakt. Ik zit niet heel erg gemakkelijk, maar ik heb mij ten doel gesteld te blijven zitten totdat mijn rug echt gaat zeggen dat het genoeg is. Het is een rustige dag, de meeste mensen maken zich op voor het bevrijdingsfestival, als ze tenminste niet hoeven te werken. Deze plek behoort mij toe. Zo lang als ik hem inneem.

Ik zit hier om afstand te nemen van Ilja Leonard Pfeiffer. Dat moet. Dat moet omdat ik hem anders een brief zou schrijven waarin ik tekort zou schieten in mijn woorden en mij hoon ten deel zal vallen. Uiteraard zou de brief in een beschonken toestand geschreven worden omdat de bravoure zich dan het het meest meester van mij maakt. Aangezien ik geen adres zou hebben zou ik de brief posten op Facebook en zo dat iedereen het kan lezen. Aan voorzichtigheid zou ik niet doen. Vervolgens zal de nachtrust mij een overbruggingstijd verschaffen die dient als voedingsbodem voor de schaamte. De eerstvolgende klik op mijn computer gepaard met dat onbestemde gevoel in mijn maag. Gal en braaksel zullen zich al stagedivend willen profileren als aanwezigen op een groots concert dat voor een buitenstaander niet anders zou klinken dan de oprispingen van een gevoelige maag. In de brief, vol lyriek, zou ik een schets van mijzelf geven, maar niet kunnen verhullen dat ik enorm overbluft ben. Ik zou schrijven dat ik opgenomen ben in het labyrinth van Genua en dat ik gedurende mijn driftige lezen en markeren niet meer in het Nederland ben waar, op deze dag, de enige vorm van rebellie een fiets is die niet in het rek staat, maar als statement er net naast.

Het is begonnen bij La Superba, dat ik als een soort bijbel een maand lang bij me heb gedragen. Ik kocht een tweede editie van het boek omdat het eerste vol plakkertjes zit en ik een puntgave editie in mijn boekenkast wilde hebben. Ooit heb ik over de gele kaft van Magnus door Arjan Lubach gelezen dat geel opvalt en dus eerder verkoopt, maar de kaft van La Superba had acuut een enorme aantrekkingskracht op mij. Het beloofde mij duisternis, heroïek, tragiek en een heimelijke tocht door een stad die ik alleen ken van de topografie op mijn middelbare schooltijd -of misschien daarvoor nog. Ook werd ik beïnvloed door de positieve kritieken die ik als geur, vluchtig, aan mij voorbij liet trekken. De aanschaf ging gepaard met het jeugdig enthousiasme dat ik ervoer als ik bijna jarig ben of onverwacht een pakketje gehuld in vrolijk inpakpapier onder mijn neus geschoven krijg. Dat had ik wel vaker bij boeken, maar ditmaal was het een totaalervaring. De aanschaf was een belofte op iets majestueus die alreeds ingelost was. Het boek vibreerde in mijn handen en ik wist dat ik deelgenoot mocht zijn van een wereld die meerdere mensen al betrokken hadden. Een boek dat je steeds weer voor de eerste keer wil lezen. Kon dat maar. De hersenpan leeg schrapen met een lepeltje en de inhoud in een blauwglazen karaf bewaren in een mooie zware kast, zodat je opnieuw een eerste keer zou hebben. La Superba is een labyrinth geworden waar ik maar niet uit kan komen. Soms lukt het me trouwens wel. Dan heb ik ineens een biertje in de hand en houd ik van de stad Nijmegen, waar als de zon schijnt, de evenementen als paddenstoelen de lucht inschieten en men met de agenda in de hand de meest passende programmering noteert op de gezinskalender. Of wanneer ik kortstondig in de ban van een ander boek, een film of een kunstwerk. Het duurt echter nooit lang of ik wil weer wegkruipen in de romantiek van mijn eigen beeldvorming aangedreven door Ilja Leonard Pfeiffer. Gedurende het afgelopen jaar kroop de naam van de man die ik niet ken, maar poog te kennen, steeds meer in het dagelijks leven. Het bleek onmogelijk hem te ontvluchten. Waar ik eerst zijn La Superba las en Idyllen kocht, gevolgd door Brieven uit Genua -die ik soms voor een aantal weken weg moet leggen- en van mijn vriendin De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw van in 1000 en enige gedichten kreeg (jubelstemming en liefkozingen, strelen langs de kaft zelfs), voegde ik hem toe als vriend op Facebook en later op Instagram. Hij kwam op televisie en hoewel ik zelden nog naar traditionele televisie kijk wist ik de tijden Via Genua en betreurde ik slechts het geringe aantal afleveringen. Ik nam Brieven uit Genua weer ter hand, overwoog een brief te schijven na een fles wijn en zag ervan af. Ondertussen gaat er geen dag voorbij zonder dat ik de naam van de schrijver niet tegenkom. In de krant waar hij geroemd wordt om zijn vocabulaire, in mijn ooghoeken waar de boeken staan en zijn ruimte een steeds groter wordende rij wordt, op mijn Instagram waar de foto's het decor van La Superba steeds weer aangevullen.

Waar komt deze idolaterie vandaan? Is het de wens van de romanticus in mij, vrij te zijn van het leven en te vluchten naar warmere oorden waar het leven niet bestaat uit de rebellie van een verkeerd geparkeerde fiets, maar waar schots en scheef een verfrissende werking hebben en ik onbeschaamd mijn drank zou nuttigen terwijl ik poog poëzie te bedrijven?
Een beetje zoals ik deed in 's-Hertogenbosch waar ik claimde een eigen tafel te hebben bij Bar le Duc en waar ik schreef zoals ik me altijd heb voorgesteld, tot het moment dat ik daar te familiair werd met de vaste klandizie en ik niets anders meer kon dan luisteren naar de mores van het Bossche die in mijn boekje terechtkwam als folklore van een kleine provinciestad en waar ik vervolgens niets mee heb gedaan.
Wellicht spiegel ik me aan Ilja Leonard Pfeiffer en voert hij de romanticus en dagdromer in mij en poog ik een verwantschap te bewerkstelligen door mij steeds weer voor te nemen een brief te schrijven en dat nooit te zullen doen.
Is het werk van Ilja Leonard Pfeiffer een aanvulling op het leven van de bohemien in mij, die sinds de academie voor beeldende kunsten uit zwerven is?
Wellicht overdrijf ik sommige aspecten wel. Is de adoratie voor een schrijver een gezonde. Ik ben geen fan meer geweest van iemand sinds mijn prille jeugd Michael Jackson zijn intrede deed. Zo heb ik het trouwens nooit willen noemen, fan zijn. Altijd heb ik mijzelf te goed gevoeld om fan te zijn. Ik zou mij toch niet committeren en te koop lopen met blinde adoratie, wat zouden anderen daar wel niet van denken. Maar ik kan er niet echt omheen. Zoals mijn liefde voor taal aangewakkerd werd door Herman Brusselmans tijdens mijn tienerjaren en vroeger al door Roald Dahl, is het complete beeld van romantiek, taal, poëzie, leven en literatuur het domein van Ilja Leonard Pfeiffer.

In de bibliotheek waar ik zit, met de rebelse fiets voor mijn neus en het grijze weer buiten, kom ik, met vermoedelijk het complete oeuvre van Ilja Leonard Pfeiffer in mijn rug, tot de conclusie dat ik geen afstand hoef te nemen. Ik mag ontdaan, onthutst en getroffen zijn door het werk van een ander en ik mag mijn eigen leven daarin spiegelen omdat dit simpelweg dromen heet. Ik mag dromen dat ik op een dag op het terras zit met een goed glas drank, genoegzaam knikkend met het gevoel voldaan te zijn, met naast mij 'mijn goede vriend' Ilja Leonard Pfeiffer die andermaal het glas heft op de erkenning van de droom die ik niet aan diggelen hoef te slaan, maar mag koesteren omdat deze nu eenmaal ingegeven is.



woensdag 3 mei 2017

Het lezen van Americana door Joost Zwagerman


Op de achterkant van Americana van Joost Zwagerman staat 'Wie dit leest, die wil films zien, musea bezoeken en boeken verslinden. Het liefst allemaal tegelijk en zoveel mogelijk' – Trouw. Hoezeer dit een subjectief statement is, geldt deze zin voor mij als onbetwistbare waarheid. Het hele boek schuurt zo lang als mogelijk over de alledaagse beslommeringen totdat deze naar de achtergrond verdwijnen en er slechts nieuwsgierigheid overblijft. Het zachte stemmetje schreeuwt in het hoofd dat het verder moet lezen. Over Willem de Kooning, Jasper Johns, John Updike, Philip Roth, Madonna en Prince. Met kirrend plezier zie je het volgende essay al klaarstaan over bijvoorbeeld Mark Rothko en je weet op voorhand al dat je dat werk wederom weer wil gaan zien. Het is een boek om in op te gaan. Een boek dat, zoals elk goed boek, tot de laatste bladzijde verslonden wil worden en het liefst zo snel mogelijk, met in het kielzog van de haast, de aankomende spijt. Spijt omdat het uit is en er niets meer te leren valt.

Americana, en met name The Painted World, slingert mij terug naar mijn tijd op de kunstacademie te Breda. Angstvallig dichtbij komen mijn eigen gevechten met het tweedimensionale vlak dat ik heb proberen te vullen met de diepste wensen en verlangens. Aangespoord door de drang mijzelf te verlossen van mijn grenzen zat ik uren aan mijn bureau, de staat van leegte en trance proberen te grijpen, al dan niet met de klanken van de Manic Street Preachers uit mijn computer die mij de realiteit uit het oog moesten laten verliezen. Ik en het lege blad. Ik en de honderden gevulde bladeren, de glazen wijn, de grond bezaaid met potloden en mijn verslaving aan de uitspattingen gevolgd op woeste tekensessies.
De kunstacademie als roes opnieuw ervaren. De bemoedigende woorden van de docenten die iets in het werk zagen, hingen er als rijpe appels voor het plukken. En ik heb ze niet geplukt. Oogsten zonder te zaaien. Het hoofd onder het maaiveld houden, vanwege angst en op mijn hoede voor de arrogantie waar ik zo vatbaar voor ben. Geïntimideerd door de kennis van de klasgenoten, waarvan er ogenschijnlijk een paar geen moeite hadden om zich te profileren als talenten en het vermoedelijk waarmaken op dit moment. Het komt allemaal terug als de realiteit die ik zelf heb meegemaakt, maar geforceerd heb weggeduwd uit het huidige leven.
Het werk van het schuchtere, sereenstille meisje, dat zelfs tussen de paria's van de kunstacademie niet thuis leek te horen, dat mij zo verontrustte dat ik er dagen van ontdaan was. Werk waar ik kippenvel van heb gekregen. Werk dat mij nu nog iets doet. Het bestond uit niets meer dan kleine geschreven blaadjes. Flarden van gesprekken die zij secuur op had geschreven. Honderden waren het er. Korte verhalen van ongrijpbare mensen. Bijna fluisterend vertelde ze dat zij tijdens de markt op een terras was gaan zitten en alle woorden die ze er hoorde op kleine papiertjes had geschreven. De ruimte, een kleine ruimte onder het trappengat had ze gebruikt om al die flarden op te hangen. Kriskras door elkaar. Het resultaat was een onweerstaanbaar gefluister in het hoofd. Het geroezemoes was teruggebracht tot een stilte die duizend stemmen droeg. Het werk was voor mij overweldigend en de kleine ruimte werkte benauwend. Overspoeld door duizenden speldenprikjes van stemmen kon ik me indenken hoe fragiel de maakster zich opgesteld moet hebben. Ze moet zichzelf weggepoetst hebben en als louter observator in dienst van de ander hebben zitten luisteren, maar was geen werk dat poogde “de ander” te laten zien. Het was een werk waar de maakster zichzelf liet zien als observator, al dat gefluister zorgde ervoor dat je haar zag temidden van het tumult. Al die honderden briefjes maakte mij nederig en klein tot de dag van vandaag.
Ik proef weer aan de onzekerheid van de academie en herinner mij een klein werkje. Een leeg bierglas met op de plek waar normaliter de lippenstif zou zitten kleefde het roet. Alsof Lucifer zelf gedronken had van het pure glas. Het meisje dat het maakte, en ik weet haar naam niet meer, was er niet tevreden over en vond het niet goed genoeg, hetgeen door de aanschouwers weersproken werd en ik denk dat het terecht was.
De academie als film voor mijn ogen. Mijn tekortkomingen. Het dwangmatig op zoek gaan naar de eigen grenzen en die proberen te verbrijzelen. Ik zie hoe ik mij heb proberen te overschreeuwen. Hoe ik mijn populariteit om heb zien slaan en het laatste jaar verprutst heb omdat ik te dichtbij kwam. De vorm veranderde en het omslagpunt zat hem in de kritiek die ik toe heb gelaten op het eigen werk alsook in het acteerwerk dat ik niet op kon brengen omdat het alter ego dat ik zorgvuldig gecreëerd had teneinde een masker te zijn, doorprikt was. In het laatste jaar heb ik de angst laten zegevieren en was het acteren op. Het laatste jaar betekende het einde van de kunstacademie voor mij met als summum afgewezen voor de tweede fase. Ik droop af van de academie af om er nooit meer naar terug te keren.

En nu, met het lezen van Americana word ik hard om mijn oren geslagen door mijn eigen geschiedenis. Het borrelt en broeit. Het peurt langs mijn oude begrenzingen met een roestige spijker in een ultieme poging de oude barrieres alsnog op te heffen. Het houdt mij mijn naïviteit voor. De naïviteit dat ik uit de beelden alles kon lezen en dat begeleidende tekst en beweegredenen voor de gemaakte kunstwerken er niet toe deden. Het grote 'wat als' spookt door mijn hoofd. Wat als Americana mij ten tijde van de academie had bereikt en ik de platheid van mijn eigen werk in het laatste jaar had gezien, dat ik het geduld en de concentratie van eerdere jaren (hoe onorthodox deze ook waren) vast had weten te houden met het geloof dat ik door kon zetten. Stel dat? Maar als ik daar aan toe geef word ik als de anekdote die op de academie circuleerde waarin een van de docenten nooit op de afdeling autonome kunsten kwam omdat hij in huilen zou uitbarsten omdat hij in zijn ogen gefaald had als beeldend kunstenaar.
Beter omarm ik mijn naïviteit en arrogantie als gedane zaak en laat ik mij overspoelen door de kunstbeschouwingen en de liefhebberij van Joost Zwagerman om vervolgens te accepteren dat er altijd nog iets te leren valt en niet te vechten tegen de bewondering en deze dapper toe te laten.Dat ik spijt zal voelen wanneer het boek uit is gelezen is inherent aan het lezen van boeken, zoals dat het is wanneer je een overweldigend kunstwerk achter moet laten. Daartegenover staat, in aanvulling op de zin achterop het boek, dat dit boek wellicht een nieuw begin is. Dat Americana, naast de wens films te zien, musea te bezoeken en boeken te verslinden ook zorgt voor hernieuwde inzichten die het maken van nieuwe films, het schrijven van boeken en het maken van kunstwerken mogelijk maakt, zoals inderdaad een overweldigend kunstwerk of een exceptioneel boek kunnen dwingen tot schrijven of het beschilderen van doeken. Zoals het bij mij nu doet.