donderdag 18 mei 2017

Zondag




Tal van tierlantijntjes die als belletjes
ronddobberend in een grote tuin
de dauwdruppels van zich af schudden
op een zeer licht briesje

de dag heeft niets om het lijf
zij ligt naakt zonder bedoeling
erotiserend te zijn. Zij wil
er voor iedereen zijn. Nietsverhullend

stil. Schoon zonder iets op het blazoen
aanschouw ik haar als ze traag
in beweging komt en zich zo verplaatst
dat ik niet anders dan mee kan doen

donderdag 11 mei 2017

ontkiemen



In de grond zit een zaadje
Ik heb het daar zelf gestopt
Met mijn vinger maakte ik een gaatje
Nu kijk ik elke dag of er iets komt
Soms denk ik te weten wat het wordt
maar het was gewoon een zaadje
dat ik had

Zo praat ik tegen jou 
Over de tuin
En wat ik denk 
Fluister ik in je oor
en op je buik 

woensdag 10 mei 2017

Oude Dichter

De sater -in zijn plooien reeds beton
rond tanden wijken wortels
het mos dempt zijn stem-
draagt een lach als donkere bossen

wanneer de plichtpleging
minder vaak struikelt
over oude bladeren
van een trillende scribent













Alles



ik beeld mij een bed in
zonder naden
met een man
met nul anekdoten
met alles in bereik
en niets meer te wensen
memorabilia teniet
gedaan bij een schaarste
aan dromen en onder
glad ijs waarop niemand
zal schaatsen of breuken
zal vallen. Nooit met bezoek
tenzij hij dat graag wil
maar er is niets te wensen
hij heeft alles al

vrijdag 5 mei 2017

Fanmail

Een fiets staat naast het rek, er zit een foldertje aan. Vanaf hier lijkt het op een Amerikaanse vlag. Het frame van de fiets is omzwachteld met een zilverkleurig duct tape. Het is het enige teken van rebellie in mijn blikveld. Af en toe fietsen er mensen langs. Zij keuren de fiets geen blik waardig. Er liggen geen gebroken flesjes op straat of stukjes ander klein afval dat je inmiddels als vanzelfsprekend acht in het straatbeeld. Blikjes Coca Cola vooral. Er is niets. Het asfalt is donker gekleurd door eerdere regen en op sommige plekken droogt dat asfalt op, met name op de plek waar het verkeer de weg raakt. Ik zit niet heel erg gemakkelijk, maar ik heb mij ten doel gesteld te blijven zitten totdat mijn rug echt gaat zeggen dat het genoeg is. Het is een rustige dag, de meeste mensen maken zich op voor het bevrijdingsfestival, als ze tenminste niet hoeven te werken. Deze plek behoort mij toe. Zo lang als ik hem inneem.

Ik zit hier om afstand te nemen van Ilja Leonard Pfeiffer. Dat moet. Dat moet omdat ik hem anders een brief zou schrijven waarin ik tekort zou schieten in mijn woorden en mij hoon ten deel zal vallen. Uiteraard zou de brief in een beschonken toestand geschreven worden omdat de bravoure zich dan het het meest meester van mij maakt. Aangezien ik geen adres zou hebben zou ik de brief posten op Facebook en zo dat iedereen het kan lezen. Aan voorzichtigheid zou ik niet doen. Vervolgens zal de nachtrust mij een overbruggingstijd verschaffen die dient als voedingsbodem voor de schaamte. De eerstvolgende klik op mijn computer gepaard met dat onbestemde gevoel in mijn maag. Gal en braaksel zullen zich al stagedivend willen profileren als aanwezigen op een groots concert dat voor een buitenstaander niet anders zou klinken dan de oprispingen van een gevoelige maag. In de brief, vol lyriek, zou ik een schets van mijzelf geven, maar niet kunnen verhullen dat ik enorm overbluft ben. Ik zou schrijven dat ik opgenomen ben in het labyrinth van Genua en dat ik gedurende mijn driftige lezen en markeren niet meer in het Nederland ben waar, op deze dag, de enige vorm van rebellie een fiets is die niet in het rek staat, maar als statement er net naast.

Het is begonnen bij La Superba, dat ik als een soort bijbel een maand lang bij me heb gedragen. Ik kocht een tweede editie van het boek omdat het eerste vol plakkertjes zit en ik een puntgave editie in mijn boekenkast wilde hebben. Ooit heb ik over de gele kaft van Magnus door Arjan Lubach gelezen dat geel opvalt en dus eerder verkoopt, maar de kaft van La Superba had acuut een enorme aantrekkingskracht op mij. Het beloofde mij duisternis, heroïek, tragiek en een heimelijke tocht door een stad die ik alleen ken van de topografie op mijn middelbare schooltijd -of misschien daarvoor nog. Ook werd ik beïnvloed door de positieve kritieken die ik als geur, vluchtig, aan mij voorbij liet trekken. De aanschaf ging gepaard met het jeugdig enthousiasme dat ik ervoer als ik bijna jarig ben of onverwacht een pakketje gehuld in vrolijk inpakpapier onder mijn neus geschoven krijg. Dat had ik wel vaker bij boeken, maar ditmaal was het een totaalervaring. De aanschaf was een belofte op iets majestueus die alreeds ingelost was. Het boek vibreerde in mijn handen en ik wist dat ik deelgenoot mocht zijn van een wereld die meerdere mensen al betrokken hadden. Een boek dat je steeds weer voor de eerste keer wil lezen. Kon dat maar. De hersenpan leeg schrapen met een lepeltje en de inhoud in een blauwglazen karaf bewaren in een mooie zware kast, zodat je opnieuw een eerste keer zou hebben. La Superba is een labyrinth geworden waar ik maar niet uit kan komen. Soms lukt het me trouwens wel. Dan heb ik ineens een biertje in de hand en houd ik van de stad Nijmegen, waar als de zon schijnt, de evenementen als paddenstoelen de lucht inschieten en men met de agenda in de hand de meest passende programmering noteert op de gezinskalender. Of wanneer ik kortstondig in de ban van een ander boek, een film of een kunstwerk. Het duurt echter nooit lang of ik wil weer wegkruipen in de romantiek van mijn eigen beeldvorming aangedreven door Ilja Leonard Pfeiffer. Gedurende het afgelopen jaar kroop de naam van de man die ik niet ken, maar poog te kennen, steeds meer in het dagelijks leven. Het bleek onmogelijk hem te ontvluchten. Waar ik eerst zijn La Superba las en Idyllen kocht, gevolgd door Brieven uit Genua -die ik soms voor een aantal weken weg moet leggen- en van mijn vriendin De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw van in 1000 en enige gedichten kreeg (jubelstemming en liefkozingen, strelen langs de kaft zelfs), voegde ik hem toe als vriend op Facebook en later op Instagram. Hij kwam op televisie en hoewel ik zelden nog naar traditionele televisie kijk wist ik de tijden Via Genua en betreurde ik slechts het geringe aantal afleveringen. Ik nam Brieven uit Genua weer ter hand, overwoog een brief te schijven na een fles wijn en zag ervan af. Ondertussen gaat er geen dag voorbij zonder dat ik de naam van de schrijver niet tegenkom. In de krant waar hij geroemd wordt om zijn vocabulaire, in mijn ooghoeken waar de boeken staan en zijn ruimte een steeds groter wordende rij wordt, op mijn Instagram waar de foto's het decor van La Superba steeds weer aangevullen.

Waar komt deze idolaterie vandaan? Is het de wens van de romanticus in mij, vrij te zijn van het leven en te vluchten naar warmere oorden waar het leven niet bestaat uit de rebellie van een verkeerd geparkeerde fiets, maar waar schots en scheef een verfrissende werking hebben en ik onbeschaamd mijn drank zou nuttigen terwijl ik poog poëzie te bedrijven?
Een beetje zoals ik deed in 's-Hertogenbosch waar ik claimde een eigen tafel te hebben bij Bar le Duc en waar ik schreef zoals ik me altijd heb voorgesteld, tot het moment dat ik daar te familiair werd met de vaste klandizie en ik niets anders meer kon dan luisteren naar de mores van het Bossche die in mijn boekje terechtkwam als folklore van een kleine provinciestad en waar ik vervolgens niets mee heb gedaan.
Wellicht spiegel ik me aan Ilja Leonard Pfeiffer en voert hij de romanticus en dagdromer in mij en poog ik een verwantschap te bewerkstelligen door mij steeds weer voor te nemen een brief te schrijven en dat nooit te zullen doen.
Is het werk van Ilja Leonard Pfeiffer een aanvulling op het leven van de bohemien in mij, die sinds de academie voor beeldende kunsten uit zwerven is?
Wellicht overdrijf ik sommige aspecten wel. Is de adoratie voor een schrijver een gezonde. Ik ben geen fan meer geweest van iemand sinds mijn prille jeugd Michael Jackson zijn intrede deed. Zo heb ik het trouwens nooit willen noemen, fan zijn. Altijd heb ik mijzelf te goed gevoeld om fan te zijn. Ik zou mij toch niet committeren en te koop lopen met blinde adoratie, wat zouden anderen daar wel niet van denken. Maar ik kan er niet echt omheen. Zoals mijn liefde voor taal aangewakkerd werd door Herman Brusselmans tijdens mijn tienerjaren en vroeger al door Roald Dahl, is het complete beeld van romantiek, taal, poëzie, leven en literatuur het domein van Ilja Leonard Pfeiffer.

In de bibliotheek waar ik zit, met de rebelse fiets voor mijn neus en het grijze weer buiten, kom ik, met vermoedelijk het complete oeuvre van Ilja Leonard Pfeiffer in mijn rug, tot de conclusie dat ik geen afstand hoef te nemen. Ik mag ontdaan, onthutst en getroffen zijn door het werk van een ander en ik mag mijn eigen leven daarin spiegelen omdat dit simpelweg dromen heet. Ik mag dromen dat ik op een dag op het terras zit met een goed glas drank, genoegzaam knikkend met het gevoel voldaan te zijn, met naast mij 'mijn goede vriend' Ilja Leonard Pfeiffer die andermaal het glas heft op de erkenning van de droom die ik niet aan diggelen hoef te slaan, maar mag koesteren omdat deze nu eenmaal ingegeven is.



woensdag 3 mei 2017

Het lezen van Americana door Joost Zwagerman


Op de achterkant van Americana van Joost Zwagerman staat 'Wie dit leest, die wil films zien, musea bezoeken en boeken verslinden. Het liefst allemaal tegelijk en zoveel mogelijk' – Trouw. Hoezeer dit een subjectief statement is, geldt deze zin voor mij als onbetwistbare waarheid. Het hele boek schuurt zo lang als mogelijk over de alledaagse beslommeringen totdat deze naar de achtergrond verdwijnen en er slechts nieuwsgierigheid overblijft. Het zachte stemmetje schreeuwt in het hoofd dat het verder moet lezen. Over Willem de Kooning, Jasper Johns, John Updike, Philip Roth, Madonna en Prince. Met kirrend plezier zie je het volgende essay al klaarstaan over bijvoorbeeld Mark Rothko en je weet op voorhand al dat je dat werk wederom weer wil gaan zien. Het is een boek om in op te gaan. Een boek dat, zoals elk goed boek, tot de laatste bladzijde verslonden wil worden en het liefst zo snel mogelijk, met in het kielzog van de haast, de aankomende spijt. Spijt omdat het uit is en er niets meer te leren valt.

Americana, en met name The Painted World, slingert mij terug naar mijn tijd op de kunstacademie te Breda. Angstvallig dichtbij komen mijn eigen gevechten met het tweedimensionale vlak dat ik heb proberen te vullen met de diepste wensen en verlangens. Aangespoord door de drang mijzelf te verlossen van mijn grenzen zat ik uren aan mijn bureau, de staat van leegte en trance proberen te grijpen, al dan niet met de klanken van de Manic Street Preachers uit mijn computer die mij de realiteit uit het oog moesten laten verliezen. Ik en het lege blad. Ik en de honderden gevulde bladeren, de glazen wijn, de grond bezaaid met potloden en mijn verslaving aan de uitspattingen gevolgd op woeste tekensessies.
De kunstacademie als roes opnieuw ervaren. De bemoedigende woorden van de docenten die iets in het werk zagen, hingen er als rijpe appels voor het plukken. En ik heb ze niet geplukt. Oogsten zonder te zaaien. Het hoofd onder het maaiveld houden, vanwege angst en op mijn hoede voor de arrogantie waar ik zo vatbaar voor ben. Geïntimideerd door de kennis van de klasgenoten, waarvan er ogenschijnlijk een paar geen moeite hadden om zich te profileren als talenten en het vermoedelijk waarmaken op dit moment. Het komt allemaal terug als de realiteit die ik zelf heb meegemaakt, maar geforceerd heb weggeduwd uit het huidige leven.
Het werk van het schuchtere, sereenstille meisje, dat zelfs tussen de paria's van de kunstacademie niet thuis leek te horen, dat mij zo verontrustte dat ik er dagen van ontdaan was. Werk waar ik kippenvel van heb gekregen. Werk dat mij nu nog iets doet. Het bestond uit niets meer dan kleine geschreven blaadjes. Flarden van gesprekken die zij secuur op had geschreven. Honderden waren het er. Korte verhalen van ongrijpbare mensen. Bijna fluisterend vertelde ze dat zij tijdens de markt op een terras was gaan zitten en alle woorden die ze er hoorde op kleine papiertjes had geschreven. De ruimte, een kleine ruimte onder het trappengat had ze gebruikt om al die flarden op te hangen. Kriskras door elkaar. Het resultaat was een onweerstaanbaar gefluister in het hoofd. Het geroezemoes was teruggebracht tot een stilte die duizend stemmen droeg. Het werk was voor mij overweldigend en de kleine ruimte werkte benauwend. Overspoeld door duizenden speldenprikjes van stemmen kon ik me indenken hoe fragiel de maakster zich opgesteld moet hebben. Ze moet zichzelf weggepoetst hebben en als louter observator in dienst van de ander hebben zitten luisteren, maar was geen werk dat poogde “de ander” te laten zien. Het was een werk waar de maakster zichzelf liet zien als observator, al dat gefluister zorgde ervoor dat je haar zag temidden van het tumult. Al die honderden briefjes maakte mij nederig en klein tot de dag van vandaag.
Ik proef weer aan de onzekerheid van de academie en herinner mij een klein werkje. Een leeg bierglas met op de plek waar normaliter de lippenstif zou zitten kleefde het roet. Alsof Lucifer zelf gedronken had van het pure glas. Het meisje dat het maakte, en ik weet haar naam niet meer, was er niet tevreden over en vond het niet goed genoeg, hetgeen door de aanschouwers weersproken werd en ik denk dat het terecht was.
De academie als film voor mijn ogen. Mijn tekortkomingen. Het dwangmatig op zoek gaan naar de eigen grenzen en die proberen te verbrijzelen. Ik zie hoe ik mij heb proberen te overschreeuwen. Hoe ik mijn populariteit om heb zien slaan en het laatste jaar verprutst heb omdat ik te dichtbij kwam. De vorm veranderde en het omslagpunt zat hem in de kritiek die ik toe heb gelaten op het eigen werk alsook in het acteerwerk dat ik niet op kon brengen omdat het alter ego dat ik zorgvuldig gecreëerd had teneinde een masker te zijn, doorprikt was. In het laatste jaar heb ik de angst laten zegevieren en was het acteren op. Het laatste jaar betekende het einde van de kunstacademie voor mij met als summum afgewezen voor de tweede fase. Ik droop af van de academie af om er nooit meer naar terug te keren.

En nu, met het lezen van Americana word ik hard om mijn oren geslagen door mijn eigen geschiedenis. Het borrelt en broeit. Het peurt langs mijn oude begrenzingen met een roestige spijker in een ultieme poging de oude barrieres alsnog op te heffen. Het houdt mij mijn naïviteit voor. De naïviteit dat ik uit de beelden alles kon lezen en dat begeleidende tekst en beweegredenen voor de gemaakte kunstwerken er niet toe deden. Het grote 'wat als' spookt door mijn hoofd. Wat als Americana mij ten tijde van de academie had bereikt en ik de platheid van mijn eigen werk in het laatste jaar had gezien, dat ik het geduld en de concentratie van eerdere jaren (hoe onorthodox deze ook waren) vast had weten te houden met het geloof dat ik door kon zetten. Stel dat? Maar als ik daar aan toe geef word ik als de anekdote die op de academie circuleerde waarin een van de docenten nooit op de afdeling autonome kunsten kwam omdat hij in huilen zou uitbarsten omdat hij in zijn ogen gefaald had als beeldend kunstenaar.
Beter omarm ik mijn naïviteit en arrogantie als gedane zaak en laat ik mij overspoelen door de kunstbeschouwingen en de liefhebberij van Joost Zwagerman om vervolgens te accepteren dat er altijd nog iets te leren valt en niet te vechten tegen de bewondering en deze dapper toe te laten.Dat ik spijt zal voelen wanneer het boek uit is gelezen is inherent aan het lezen van boeken, zoals dat het is wanneer je een overweldigend kunstwerk achter moet laten. Daartegenover staat, in aanvulling op de zin achterop het boek, dat dit boek wellicht een nieuw begin is. Dat Americana, naast de wens films te zien, musea te bezoeken en boeken te verslinden ook zorgt voor hernieuwde inzichten die het maken van nieuwe films, het schrijven van boeken en het maken van kunstwerken mogelijk maakt, zoals inderdaad een overweldigend kunstwerk of een exceptioneel boek kunnen dwingen tot schrijven of het beschilderen van doeken. Zoals het bij mij nu doet.




woensdag 12 oktober 2016

Geknipt

Mijn liefde voor haar is allesoverheersend, pijnlijk en nietsontziend. Alles wijkt voor haar. Mijn nachtrust wordt op de proef gesteld door een spinnenrag aan verhaallijnen. Mogelijkheden. Mijn dagen verlopen als een trektocht over een hoogtepas, volledig gegrepen door hoogtevrees en verrast door storm. De angst haar op een haar na te missen is ongrijpbaar groot. Haar afwijzing zal een dolksteek en allesbehalve vredelievend zijn. Het zal er ook één zijn die een  pegel aan ijs langs mijn jonge hart zal plaatsen. Voorgoed sterft er een deel. Kil en hard. Vergeet-me-niet blauw.


Ik stond voor het schap van de shampoos en wist niet welke ik moest pakken. Het bleek dus dat er voor elk type haar een speciale shampoo was. Ik had alleen geen referentiekader dat mij zou zeggen welk type haar ik zou hebben. Ik heb de gradaties van haar dan ook nooit begrepen, ze nimmer op mijzelf toegepast. Nooit gedacht; goh, wat heb ik in vergelijking met een ander droog haar of dik. Of dun en sluik. Of vet. Mijn haar is mijns inziens compleet ondefinieerbaar, een soort ‘verscheidene specerijen’, wat je wel eens ziet op de achterkant van een etiket. Wat zou er gebeuren als ik de verkeerde shampoo zou pakken en ik er uit kwam te zien als een bol wol of dat de haren verstrengeld raken in een grote klit? Erger, dat mijn haren uitvallen. Behoedzaam ging mijn hand naar een fles en las wat er stond: ‘voor een zijdezachte glans en verzorging van wortel tot aan de punt’. Dat betekende in ieder geval dat mijn haar niet uit zou vallen. Ik trok de sluiting open en rook aan de shampoo, het rook naar meisjes uit de bovenbouw van de middelbare school. 
Ik had mijn zinnen gezet op de shampoo die in een keer een knappe man van mij zou maken. Thuis hadden we de saaie flessen staan. Voor elk haartype. Gezinsverpakkingen voor de middelmaat. Ik zocht iets exclusiefs, iets waaraan je zou kunnen aflezen dat ik kennis had van haar, dat ik wist hoe ik het moest verzorgen en dat ik er alles aan deed om er uitmuntend uit te zien. Ik wou pronken met mijn kapsel. Ik wou de blikken zien staren terwijl ik langsliep in de gangen van de school. Mijn plan had een begin. 

Toen ik naar buiten liep had ik geen shampoo gekocht.
Met het schaamrood ben ik de winkel uitgegaan. Een rood stoplicht versperde de weg tussen mij en de winkelbediende. Een trein passeerde en ik was weg. Intercity naar schaamte.
In het dorp liep ik doelloos rond. Ik trachtte nogmaals terug te gaan naar de winkel, liep er als een man naar toe, maar boog bij de ingang af naar etalages, bedacht me ineens de andere kant op te lopen, deed net of ik mijn veters moest strikken. 
In de ruit van de Zeeman had ik een doorkijk naar spiegel en mijn kapsel. Mijn haar dat als een grote massa bovenop mijn hoofd hing. In silhouet een champignon. Zo stond ik een poosje naar mijzelf te kijken. Een brugklasser in het dorp onderweg naar volwassenheid. 

Gelukkig was ik niet voor één gat te vangen. Voor elk probleem bestaat een oplossing, en om mijn falen te camoufleren toog ik monter naar een kantoorboekhandel en kocht een pen, briefpapier, enveloppen en postzegels. Ik ging naar de koffiecorner, bestelde een Cola en ging aan de slag. 

Beste meneer of mevrouw,

Zojuist was ik in uw winkel en keek naar uw shampoos. Ik had moeite met kiezen. Ik weet namelijk niet welk haartype ik heb. Misschien is het voor uw winkel een idee om kleine klosjes haar op te hangen zodat er een referentiekader is voor mensen als ik. Ik ga er namelijk vanuit dat er meer mensen zijn die niet weten wat voor haar ze hebben. Dan heb ik het natuurlijk niet over de kleur, want dat is ze vast wel eens verteld, maar over het type. Ik wil namelijk de perfecte shampoo hebben voor mijn haar en ik kan uw hulp daarbij wel gebruiken. Ik kan me voorstellen dat u niet meteen klosjes haar voor de hand hebt en zeker niet dat ze vanmiddag al in uw winkel hangen. Daarom zou ik u willen vragen om een aantal klosjes op te sturen zodat ik zelf kan kijken welke het dichtst bij mijn haar komt. 

Ik dank u bij voorbaat,

Met vriendelijke groet,

Matthias van Krouwelingen
Kerkstraat 14 a 
5261 TZ Vught 

Ik verzond de brief, sprong op mijn fiets en reed naar huis. Kosten noch moeite gespaard. 
Mijn moeder vroeg me of ik geslaagd was. Ik zei haar dat ik mijn keuze niet over één nacht ijs wou laten gaan en gaf haar 7 gulden terug. ‘Ik ga huiswerk maken’ en ik spurtte naar boven. 

Als fris lenteweer zat ze daar, een kabbelend blauw beekje, twee stoelen voor mij aan de andere kant van het pad. Ze droeg een sweater met brede roze en zwarte strepen en een kraagje, haar blonde haren hingen over haar schouders. Ze had een lichtblauwe spijkerbroek aan en ze zat iets scheef op haar stoel. Haar rechterheup zag er zacht uit en bij de gedachte haar in haar ondergoed te zien, kreeg ik het koud. Ik mocht zulke dingen niet denken, Met de voet tikte ze een deuntje. Ik smeekte haar stilletjes. Kijk om naar me, kijk me in mijn ogen. Nee, kijk in me, zie wie ik ben, wat ik voor je zal betekenen. 
Maar kijken deed ze niet. Zelfs een hoestje om aandacht te trekken leek niet aan haar besteedt. Ze lette op dat wat de leraar te melden had. Ze had geen oog voor mij. Hoeveel lieve woordjes ik haar ook zwijgzaam toefluisterde er kwam geen reactie. 
Ik denk niet dat ze op dat moment besefte dat ik voor haar zou sterven. Dat, indien er een dodelijk virus was, ik het uit haar zou zuigen en sterven in haar plaats. Alleen opdat zij zou leven. Ik denk dat ze, de in mij brandende liefde, nog niet had doorzien, misschien zelfs, dacht ze nooit over mij na. Natuurlijk wilde ik die gedachte uit mijn hoofd bannen en was ik met elke glimlach, oogopslag of zucht een bevestiging rijker. 
Elk moment dat ze bij mij in de buurt was, probeerde ik haar te lezen, te achterhalen wat ze dacht. Ik las tekens. Elke korte beweging met haar pink, betekende dat ze aan me dacht en als  ze licht schokte het plots realiseren dat ze liefde voor me voelde. Elke blik naar achter, betekende dat ze me wou zien; ook in het geval ze niet naar mij keek, maar naar wat rumoer in de gangen. Zij zocht ook een excuus. Ik wist dat ik me al die kleine tekens inbeeldde. Dat een schoen met de punt naar mij toe gericht, niet betekende dat het onderbewustzijn van haar een stap naar me toe wilde zetten, ik las het wel zo. De enige manier om enige genoegdoening uit de lesuren met haar te krijgen was om het zo te lezen. 

In de avonden in bed dacht ik dan over haar lach. Hoe ze mij toelachte en zei dat ze mij toebehoorde. Dat ik het ben, die in haar omhelzing vrede vind; gereinigd wordt; geprikt door honderden kleine platina punaises waarmee pijnlijk de liefde wordt betreden, als kippenvel, als summum, apocalyptisch. 
Ik lag te malen in bezwete dekens, en zoals dat gaat in bed, als je alleen bent en moe, de wereld heeft je een dag gegeven om over na te denken, de dromen die alles zullen verwerken die liggen al op de loer, maar wachten op een moment om toe te slaan, je maakt alles zo groot. Alles buiten proportie. Deze dag had ze met haar rug naar me toe gestaan. Dat betekende dat er afkeer kon zijn, het kon ook betekenen dat ze zich geen houding wist te geven en me niet onder ogen durfde te komen. Voordat ik kon slapen moest ik deze code gekraakt hebben. Niet alleen vannacht, elke nacht weer, totdat ik kon lezen en schrijven, beminnen, houden van… 

Ik verkocht mijn stripverzameling aan een Amerikaan. Ik kreeg er een paar honderd gulden voor. Genoeg voor nieuwe kleren. Samen met mijn kleedgeld was ik nu de trotse bezitter van 321 gulden en 50 cent. Ik kon eindelijk vaarwel zeggen tegen mijn donkerblauwe Michelen-mannetjes-jas, mijn oversized slobbertrui en mijn donkerbruine broek. Mijn Adidasjes zou ik behouden totdat ik geld had om nieuwe te kopen. Ik had de voorgaande weken goed opgelet wat mensen droegen. Over het algemeen waren dat spijkerbroeken van het merk Levi’s, type 501. Verder droegen ze allemaal poloshirts met brede strepen. Rugbyshirts. Veel jongens hadden dan wel petjes op, gebleken was dat de jongens met petjes niet in de smaak vielen bij meisjes. Althans niet in onze klas. Zij werden gezien als de modder onder schoenen. Alhoewel het bij tijd en wijlen, in vroeger dagen, leuk was om met modder te spelen, werden de kleren nu vies. Men moest ten allen tijde denken aan het imago en niet, als schooiertjes uit de sloppenwijken bekend komen te staan.  Of als sletjes. 

‘Neem jij al dat geld mee naar de stad’ vroeg mijn moeder, toen ik mijn geld had weggeborgen in mijn broek, mijn jas had aangetrokken en naar buiten wilde gaan om mijn fiets te pakken. ‘Ja, mam. Anders kan ik vier keer op en neer gaan met steeds een bedrag x. Je zult zien dat als ik nu 75 gulden meeneem, dat ik dan een broek zie van 80 gulden. Ik ben heus wel voorzichtig.’ Ze liet me uiteindelijk gaan met een ‘doe je wel voorzichtig?’ 
Die lieve moeder van mij.
Als een vanzelfsprekendheid resulteerde het ’s-avonds bij thuiskomst in een ruzie over de prijs van een broek. De kleren waren duurder dan ik had gedacht en voor mijn moeder bleken de prijzen zelfs exorbitant hoog. ‘Weet je wel wat je allemaal voor dat geld kan kopen?’ vroeg ze, toen ik trots mijn broek om de bips had gesloten en ik het haar thuis liet zien. ‘Heb jij de bonnetjes nog, want ik breng het morgen gewoon terug. 105 gulden voor een lapje stof zeg. Daar kan ik het zelf ook wel voor maken. Trek maar uit Matthias, kom.’ Ik kookte van woede. Dit was mijn eigen geld, ik had het gespaard, ik had mij financieel onafhankelijk gemaakt als het op kleren aankwam. Ik besloot dus wat er wel en niet teruggebracht werd. De argumenten die ik haar echter gaf, bleken niet voldoende om mijn pleidooi voor behoud van de kleren te bewerkstelligen. Niets anders zat er op dan te gehoorzamen, hetgeen ik deed. 

Toen ik in de nacht wakker werd, besloot ik het er niet bij te laten zitten. In mijn lichtblauwe pyjamabroek sloop ik naar beneden en pakte de tas met kleren die mijn moeder de volgende dag zou terugbrengen. Voorzichtig, zonder een geluid te maken, knipte ik de labels en de prijskaartjes van de kleren en plaatste ze terug in de tas. Zo, nu zullen we eens zien wie er het laatst lacht.
Ik liep naar het raam en keek naar buiten. Sterren had ik voor het laatst echt gezien in Zuid-Frankrijk toen de stroom uitviel en ik mijn luchtmatras naar buiten had gesleept om te kijken. 
Nu zag ik geen sterren. Ik zag een grote paddenstoel op een spriet van een klein lichaam weerkaatst in het raam. Ik had willen wegkruipen in het hoekje van het raamkozijn, waar een wereld was zonder pijn, met sterren, waar je onbekommerd in een zandbak kon spelen. Waar niemand een mening had over je. Een wereld waar je niet hoefde uit te leggen waar je vandaan komt, waar uiterlijke verschijning altijd een zegen was en nooit iets om je druk over te maken. Afkomst, religie, uiterlijk, volwassenheid. In die wereld zou het niet bestaan, in die wereld was ieder één. In die wereld waren de geliefden natuurgetrouw tot elkaar aangetrokken, er was geen moeite, geen indruk maken, geen angst of jaloezie. Er was alles. Met mij er in. Ik zag mezelf liggen op een luchtmatras, kijkend naar de sterren, mijn hand in de hand van; mijn been tegen het hare; onze vakantie van oneindigheid in het hoekje van het kozijn. 

Mijn moeder was vergevingsgezind. De paar weken huisarrest die ik van haar had gekregen eindigden al op dag twee. Ik heb zelfs het idee dat ze doorhad wat ik doormaakte. Alhoewel ik het haar nooit heb verteld. 
Mijn nieuwe kleren lagen keurig opgevouwen in mijn kast. Bovenaan. Twee truien, een broek. De jas hing beneden aan de kapstok. Ik droeg ze nog niet. Ik bewaarde ze.

Ondertussen nam mijn liefde voor haar groteske vormen aan. Het fris blauwe beekje werd een kristalhelder bergmeer, haar huid van zijdezacht, naar een parel zo kostbaar dat men alleen mocht kijken. Waar zij eerst een engel was, bleek zij nu de godin uit dromen. Haar blonde haar werd goud en haar mond behoefde geen glimlach meer om tekens aan mij door te sturen. De tred die ze had over de gangen maakte van mij een schoothondje. Ik kon achter haar aanlopen, gehoorzamen als ze iets vroeg, ik was overgeleverd aan haar wensen. Ik was nu al haar slaaf. Alleen al om zoiets te mogen aanschouwen, in de gangen, in de polder op de fiets. Haar naam, die geschreven in de sterren en ook in het klassenboek stond, bezorgde me extase. Ik durfde het niet te lezen, niet uit te spreken. Ze was hemels, en vanaf haar wolk zou ze engelen sturen om me af te halen, op te halen uit vergetelheid.  Ze hield van mij. Ik wist het zeker. 
Omdat ik echter eerst perfect wilde zijn voordat wij samen zouden komen moest er nog veel gedaan worden. Mijn plannen waren even simpel als voor de hand liggend. In de eerste plaats moest ik iets doen aan uiterlijke vertoning. Een metamorfose ondergaan die me niet alleen enigszins aantrekkelijk zouden maken, maar me ook een volwassen uiterlijk gaven. Een uiterlijk waar zekerheid uit zou spreken. Met volwassen verzorgd haar, een puntgave huid, verzorgde uitgebalanceerde kleding. Was ik zo ver dan kon ik verder gaan plannen. Het schokeffect zou groot zijn, in vergelijking met mijn verschijning nu. Haren, kleren. Ik was redelijk op weg. 

In de weekeinden, als daar niet de vier opgetrokken muren van mijn school waren, waar haar naam niet als een spook rondwaarde, had ik afleiding. Op vrijdag en zaterdag sliep ik vaak bij Daniël Petrovic, de eerst gemaakte vriend op de grote school in de stad. Waar mijn vroegere klasgenoten allen een andere kant op gegaan waren, was ik naar Den Bosch getogen. De stad zou me goed doen. Dat was de stellige overtuiging van mijn ouders geweest. 
Daniël Petrovic zat bij mij in de klas, het was een jongen die heel goed kon tekenen en vele malen groter was. Op de basisschool heb ik geleerd dat vele malen groter over het algemeen betekende: wegwezen! Nu ging ik het anders doen. Ik ging de grotere opzoeken. In de klas meteen naar het Alfa mannetje. Die moest ik hebben. Adopteren. Voor me houden als een groot schild tegen de buitenwereld, die in mij ongedierte zag dat uitgeroeid moest worden. Ik moest paaien, complimenteren en vooral moest ik, heel grappig zijn. De lachers op mijn hand zien te krijgen, brutaler worden. Een vriendschap als die van Daniël moest ik verdienen. Ik moest hem laten denken dat ik de moeite waard was om te investeren.  

Op dag één was ik naar Daniël toegelopen en had iets laten vallen. Hij had het opgeraapt en met zijn grote brede lichaam en blonde korte haar had hij het lachend teruggegeven. ‘waar kom je vandaan?’ vroeg hij me. ‘Uit Vught,  en jij?’ Daniël kwam uit st-Michielsgestel. Een dorp verderop. Hij woonde in een rijtjeshuis en had een oudere broer op dezelfde school zitten. Hij had al lang gehoord van het klappen van de zweep. Daniël was op de plek van de vele grote verhalen belandt, net als ik. Onder zijn vleugels kon ik me veilig voelen. Zijn voorkennis zou me helpen. Mezelf ontplooien tot individu. Een karakter worden met eigenschappen. Ik had meteen doorgehad dat Daniël aan zou sluiten bij wat ik zocht. Hij torende boven de klas uit, was knap en had een bepaalde charme in zijn lach waar hij ver mee kon komen. Daar waar wij nog kleine jongens en meisjes waren, had Daniël meer. Meer kracht, souplesse, hij straalde een bepaalde zelfverzekerdheid uit zonder daar mee te pronken. Hij was een rustige jongen, maakte zich niet snel kwaad, deed wat hij moest doen in de klas. Een soort ijkpunt waar je jezelf aan kan meten, of optrekken net wat je wil. Ik was het compleet tegenovergestelde, druk maakte ik me om alles. Ik was klein met donker haar en het belangrijkste, voor mij was alles nieuw. Voor mij lag een wereld die ik moest leren kennen. Voor mij lag er een nieuwe kans. Een kans alles anders te doen en opnieuw te beginnen. Met mijn vuisten in de lucht, uit de asresten van mijn jeugd herrijs ik. Hier zou ik mijzelf gaan manifesteren, met behulp van.

Tijdens de lessen zat ik veel naast Daniël. Ik had er voor gezorgd dat ik niet alle lessen naast hem zat. Ik wilde hem niet overladen met aandacht. Ik wilde aanhankelijk, maar niet afhankelijk. Er moest een zeker afstand gewaarborgd worden, zodat er spanning zou blijven bestaan. Bovendien wilde ik een observatiepost hebben van waaruit ik kon gadeslaan. Vanwaar ik kon blijven kijken naar de verhoudingen in de klas. Ik moest bij, in ieder geval twee lessen per dag alleen zitten, ergens achterin. Ik moest het geheel overzichtelijk houden. Machtsverhoudingen bepalen. Er mochten geen vragen open blijven staan.  
De vrijdagavond, zaterdag en zondag waren van Daniël en mij. We speelden met technische Lego. We pestten zijn broer, Paul. Hij zat op karate en wist dat goed te gebruiken.De fysieke dreiging die van hem uitging bleek een soort barrière met een magnetische aantrekkingskracht. Elk moment zou Paul kunnen ontploffen en wij zochten die grens op. Ik keek tegen Paul op, zijn kledingdracht, zijn muzieksmaak – hip-hop van de 2 live crew, Public Enemy. Zijn gespierde lichaam.Zijn kennis en zijn leeftijd. Spiegelend aan de volwassenheid van de broer van Daniël zag ik een glimp van de toekomst. 
Soms gingen Daan en ik naar de fopwinkel in Den Bosch en kochten ‘knalbommetjes’ die we dan afstaken. We keken films van Chuck Norris, Jean Claude van Damme en Steven Seagal. De tijd vloog voorbij bij Daniël. We aten combinatiebakjes lekkernijen op zaterdagavond, deden onderling tekenwedstrijden. Hij kon geweldig tekenen en stiekem deed ik zijn trucjes na. Beiden wilde we schoenenontwerper worden. Sportschoenen tekenen. We keken bij elkaar, we schaafden aan onze patronen en de vorm van schoenen. Daniël won, telkens weer. Hij liet niet blijken dat hij beter was, hij hielp me een ander inzicht te krijgen. 
Aan alles kon je merken dat Daniël een vel had dat gegoten zat, een vel dat als het water in een warm bad een lichaam omsloot en bewoog met de lichtste beweging. Het water werd bij hem niet koud, zijn huid verrimpelde niet. Voor mij kwam het over alsof Daniël geen angst kende, geen onzekerheid. Ik liet Daan nooit blijken dat ik die emoties wel had leren kennen, ik liet hem nooit weten dat negen van de tien keer ik het in mijn broek deed als we knalbommetjes kochten, ik liet hem niet weten dat ik hem gebruikte als schild.
In die tijd van aanpassen aan elkaar, het adapteren van elkaars leefwijzen, het kennismaken met gebruiken, schoof mijn berekening naar de achtergrond, de intentie om Daniël te gebruiken was niet meer. Dit was een volwassen vriend geworden. Ik had hem nodig, maar als tegenpool hij mij. Zo werken die dingen.

De weekenden waren gemaakt van vrijheid. Ik schudde de week van me af en zat in een soort parallel bestaan. Ik verloor niet uit het oog wat ik doen moest, wat me te doen stond om haar hart te veroveren. Maar in die twee dagen kon ik het loslaten. Als een man op de dijk kon ik kijken naar wassend water en de schapen die als afzonderlijke plannen, ondergeschikt aan mijn wens, een pad klaarmaakten. Ze vraten met hun bekken het gras weg. Ze legden de aarde bloot, lieten een waarheid zien. Elke stap met de schapenpoten bracht mij dichter bij mijn doel. De meander door, naar de oceaan. Toen ik hier voor het eerst stond was het gras metershoog, ik kon het water niet ontwaren, de oceaan nog niet zien. Daar stond ik  zielsalleen te staren naar dansend gras. Ik hoorde slechts water. 
Voordat de school begonnen was waren zaterdagen en zondagen bleek en saai. 
De lange lome zomer daarvoor een aanloop naar iets nieuws. De eerste weken school, een spanningsboog, die een pijl ver naar achteren trok. 

De liefde begon op de fiets. Op een onverklaarbare manier fietste ik naast haar, vanuit school naar Vught. Zij kwam van de fietsenstalling links, ik van rechts. Ons ontmoeten bij de poort had iets. Natuurlijk zaten we bij elkaar in de klas maar echt praten deden we niet. Sluikse blikken en glimlachen van herkenning soms. Daar was het vooralsnog bij gebleven. Bij het treffen, werd een afspraak zonder woorden gemaakt en fietsten we beide de polder in. Het bestaan op de school was nu twee weken oud. Het eerste huiswerk was ons opgegeven. Over de leraren waren de eerste meningen gemaakt. De zon scheen nog in nazomerweer. Vandaag had Het Blauwe Beekje een uitbrander gehad bij wiskunde omdat ze zat te praten met Saïda. 
‘Saïda, ik word gek van haar, die ratelt maar door en door en door en door. Dan zeg ik dat ze even stil moet zijn, en dan krijg ik op mijn flikker. Jij zit daar lekker rustig achter in de klas, alleen’ 
Nu ik haar zag praten en ze haar benen bewoog in gelijkmatige cirkels, merkte ik hoe mooi ze was. Het blonde haar wapperde op de wind. De zon die haar gezicht bescheen zorgde voor een soort glans die ik niet eerder zag. In mij knapte er iets. Of werd er iets geplaatst. Een idee, een gevoel, een drang? Ik zag haar mond bewegen maar hoorde niet wat ze zei. Dit gevoel was nieuw voor me. Angstaanjagend. Ik stelde mezelf voor me te concentreren op wat ze zei, het enige wat ik zag waren haar glanzende roze lippen die bewogen in de polder. 
‘Waar woon jij eigenlijk’ was het eerste wat ik weer hoorde van haar. 
‘vlak bij het tankstation bij de Martinihal’ zei ik haar, ik voelde me ineens heel klein, en was in de veronderstelling dat elk woord wat ik zei van wereldsbelang was. ‘Ja, dat ken ik wel daar, bij de rotonde?’ ‘Ja, daar, ken je die slijterij op de hoek daar. Daar vlakbij woon ik’
‘bij die hofjes?’
‘Nee, in een gewone straat, daarachter’
‘Oh ja, daar is een vijver toch’
Zo keuvelde we wat verder, ogenschijnlijk koetjes en kalfjes, maar bij alles wat ze zei, groeide dat ene kleine korreltje tot een ingekapselde onvermurwbare ruwe diamant. 
Toen we werden ingehaald door een vriendin van haar, fietste ik nog een stukje met ze mee. Mijn blik op het asfalt. In een pose alsof ik geïnteresseerd luisterde, was ik vol ongeloof over dit nieuwe gevoel. In de nazomermiddag op weg naar huis van een nieuwe school.  

In de spiegel, één van de twee in de badkamer, zag ik mijzelf. De knokige schouders, de ribben die ik kon tellen, de bleke huid. Deze maandag stond ik te kijken naar mijzelf. Ik trok wat gekke bekken, maakte mijn haar nat, trok mijn wenkbrauwen op. Ik spande mijn spieren tot het maximum. Ik trok een grimas. Met een zucht zakte ik ineen voor die spiegel, leunde op de wasbak en liet mijn hoofd hangen. Vandaag zou ik niet naar school gaan. Ik trok het medicijnkastje open. Ik zette de warme kraan aan en pakte de thermometer…tot 38,7 graden en naar beneden de trap af. ‘Mam, ik ben ziek.’ 
In bed had ik een schrift gepakt. Mismoedig keek ik naar de plannen die ik had gemaakt voor deze week en zorgvuldig had opgeschreven. De plannen die ik eerder had gemaakt en doorgestreept. De plannen die niet uit zouden komen en de plannen die uitgevoerd waren. De klosjes haar waren nog steeds niet binnengekomen. Ondertussen had ik nog niemand durven te vragen wat voor haar ik had. Het is toch een rare vraag. Wat voor haar heb ik eigenlijk? Ik vond dat je dat niet aan iemand kon vragen. Mijn metamorfose moest een merkbaar zijn, groots, exorbitant, met alleen haar en kleren kwam ik er niet. Het schokeffect zou groot moeten zijn. Alsof je thuiskomt er een enveloppe ligt met een brief waarin staat dat je nooit meer hoeft te werken gevolgd door een grote som geld die op je rekening gestort zou worden. Als ik in de spiegel kijk zie ik nog steeds een onverzorgde dos haar. Grotesk. Ontembaar en wild. Niet aantrekkelijk ook. Ik weet me geen raad vandaag. Ik weet alleen dat ik dingen echt anders aan moet gaan pakken. Dat ik de koe bij de hoorns moet pakken en hem net zo lang moet schudden totdat hij mijn milkshake geeft. Mijn zoete overwinning, mijn prijs, mijn beker des triomf. 
Ik stapte uit bed en begon mijzelf moed in te praten. Keek naar de kleren die ik gekocht had en trok ze aan. Weer naar de spiegel. Ik dacht mijn hoofd weg. Ik zie er goed uit. 
Terug in de kamer. Alles weer uit, kroop in mijn bed, pakte mijn schift en overzag mijn plannen:

1. Haardefinitie;
2. Nieuwe kleren;
3. Stoere vrienden hebben/ maken;
4. Scheerspullen kopen;
5. Spieren kweken;
6. Dicht bij haar in de buurt komen;
7.  Uitvinden waar ze woont;
8.  Een feestje geven en haar uitnodigen.

Terwijl ik dit las dacht ik dat ik meer miste. Dat er cruciale aspecten waren die ik over het hoofd zag. Als de verteller van een mop, waar de clou verhaspeld werd door een te lange onzorgvuldige aanloop. Ik had bijvoorbeeld nog nooit echt met haar gepraat. Ik liet negen van de tien keer Daniël het woord doen, terwijl ik zwijgzaam naar haar keek, alles van haar in me opnam. Ik probeerde haar te doorgronden. Ik had alles van haar willen weten maar wist eigenlijk niets. Ze kwam wat stug over. Uiteraard verborg ze alles voor mij. Voor anderen. Ze kon toch niet aan iedereen laten zien wat voor iemand ze was. Dat bewaarde ze. Dat bewaarde ze allemaal voor mij. Het moment dat we samen op de bank lagen en naar een film keken, op dat moment zou ze haar koele frisse lichaam tegen me aan duwen en met haar aanraking alles zeggen. Haar vingers in mijn nek, zachtjes strelend. De eerste kus zou volgen. We zakken tot diep in de bank, waar het donker is, waar niemand ons ziet. Waar ze zich opent voor mij en laat zien wie ze is. Een lichtbron in duisternis. Waar ze honderduit praat en vertelt, wat er zo leuk aan me is. 'Je bent zo zacht. Je kan zo goed luisteren'. Ik ben zo teder en breekbaar. Dat is wat ze mooi vindt, dat is wat ze wil. Daar gaat ze voor. Ik kan zo goed relativeren en ik ben zo stil. ‘Alles wat je zegt is meteen raak, het lijkt wel of alle spaarzame woorden die je zegt eerst door een commissie van strenge en hoge professoren, komedianten, tekstschrijvers en filosofen geleid worden voordat je ze uitspreekt. Je bent alles waar ik van droom, ik wil bij je zijn en bij je blijven en je aanraken, je zachte haar en je lieve gezicht. Ik wil je niet meer kwijt Matthias, nooit’.
Maar ik vergat iets. Ik ben een beetje een buitenbeentje als het op goede smaak aankomt, maar dat zijn de financiële middelen, daar kan aan gewerkt worden. Nee, ik mis iets anders. Iets wat ik klaar moet zetten. Of iets wat ik klaar moet maken. Ik moet ergens bovenuit steken. Een talent? Misschien. Nee, dat komt vanzelf. Dat ontplooi ik wel. Ik ben nog jong. Ik ben nog een ongeschreven blad, ik behoef nog geen talent. Ik behoef nog niks. Zij mag mij vormen. Dat doet ze al.
Met grote halen trok ik strepen door mijn plan. Toen ik het las leek het allemaal kinderachtig. Het is natuurlijk je reinste kolder om iemand te overvallen met een compleet nieuw uiterlijk. Zoiets werkt natuurlijk alleen maar in films. Het is helemaal niet verstandig van me geweest, te denken dat als ik er in één keer mooi en goed uitzie, dat ik dan zo maar wat harten kan veroveren. Waar zat ik met mijn hoofd. Ik had me mee laten slepen. Ik, iemand mijn wil op leggen, door dansend haar en hippe spijkerbroeken? Ik was de complete realiteit uit het oog verloren. Ik had mijzelf overschat. Om iemand te winnen moet je in iemand kruipen. In het hoofd. In de ziel. In de tinteling van tengere vingers. Zoiets moest geleidelijk aan gebeuren. Ze moest voor je vallen  als hagelstenen. Steeds weer opnieuw. Je moest haar dagelijks verrassen. Jij grote oen! Je moet beetje bij beetje bij beetje bij beetje meer van jezelf laten zien. Steeds weer een klein speldenprikje. De aandacht op je gevestigd houden. 
Het oktoberweer buiten sloeg wind door de kieren van de zolder. Als tocht circuleerde het mijn kamer rond, zingend, hoop, hoop. 
Ik besloot een douche te nemen en mijn moeder te vertellen dat ik me beter voelde. Ik wilde naar Don Juan, de kapper. Ik wilde een nieuw kapsel. Snel. Mijn moeder had grote vraagtekens bij mijn plotselinge wederopstanding, gaf me geld, zei me de dag daarna weer naar school te gaan. Ze kon daar op rekenen. Bij de kapper was een vlezige vrouw die me knipte. Ze was niet onaardig maar haar buik porde tegen mijn schouders toen ze me mijn haar bewerkte. 
‘Jezus, wat heb jij een dik, vol haar, laten we dat straks maar eens flink uitdunnen’ een glimlach kon ik niet onderdrukken. 
Ik wilde een kort kapsel, iets fris, volgens mij zei ik het zo; ‘Doe maar iets korts en iets wat kan met mijn type haar’. Dat was natuurlijk een hele verstandige opmerking van mij en ik sloeg plots twee vliegen in één ferme mep. Ik boekte progressie. Ik genoot van mijn slimheid. 
Mijn kapsel was een vredesresolutie tussen mijn gelaat en de haren. Er was een einde gekomen aan de koloniserende haren die met hun honger en dorst het voorhoofd voor zichzelf hadden ingenomen.Mijn kapsel, was oprecht het beste kapsel dat ik ooit zou dragen en heb gedragen. 
Morgen zou ik een ander persoon zijn. Morgen zou ik nieuwe kleren aantrekken en mijn haren goed hebben. Morgen begint een nieuwe fase. Hoewel ik natuurlijk niet meteen haar voor me zou winnen, kon ik tenminste laten zien dat ik mijn best voor haar deed. Toch frontaal in de aanval. 

Ik was natuurlijk veel te lang en krampachtig een schaakspel aan het spelen dat ik op voorhand al zou gaan verliezen. Je kunt niet alles uitdenken, je kunt niet bij elke drempel precies inschatten hoe hard de knal zal zijn op je veren, wat het effect op de langere termijn is of zal zijn. Je kunt niet met elk genoteerde woord in een schrift een koers bepalen. Uiteindelijk moest je ergens risico’s gaan nemen. Afwachten en er van uit gaan dat de dag des oordeel vanzelf wel komt. Het brengt je nergens. Het laat je verpieteren in je eigen verkozen ballingschap steeds tegen jezelf zeggend, bijna, bijna is het zo ver, ik moet alleen nog even. Nog even wat? Nog even verstoppen? Nog even wachten totdat de cocon openbarst en je er uit kan stappen als een vlinder? In afzondering leven en verdriet kennen, het groter maken met elk uur? Ronddwalen in mijn hoofd? Op spijkers slaan die scheef in planken hangen, in de hoop een huis te bouwen? Wat? Het kan toch allemaal niet meer zo. Ik krijg haar niet uit mijn hoofd, en de enige manier om haar wel uit mijn hoofd te krijgen is om haar toe te laten in mijn leefwereld. Als zij de godin is die ik aanbid, dan is zij ook de kerk die ik moet bezoeken, het lichaam dat ik moet eten, het bloed dat ik moet drinken. Alleen in mijn kamer plannen zitten maken? Wie denk ik hier te zijn? Denk ik nu echt zo slim te zijn dat er in de hoek van mijn brein ergens een plekje verborgen zit die me gaat zeggen hoe te handelen, dat het plekje me in mijn brein me brengt bij de sterren, de hemel, haar kus? Dat er op een slinkse manier achter de geheimen van de liefde gekomen kan worden. Dat ik het grootste mysterie eigenhandig even ga ontrafelen. Ha. Natuurlijk niet. Of toch, toch nog even wachten. Nee!

Een brief, waar alles in zou staan. Daar was het tijd voor. Mijn kapsel bewoog op de snelheid waarmee ik de trap afdaalde. Beneden stond mijn moeder bij de deur. ‘ Heb jij iets besteld of zo?’ Ze liep de gang in en kwam terug met een kartonnen doosje. Daar stond mijn naam, in het schermpje van de enveloppe, geplakt op een doosje.

Aan de heer M. van Krouwelingen
Kerkstraat 14 a 
5261 TZ Vught 

Geachte heer Van Krouwelingen,

Naar aanleiding van uw schrijven van 14 september 1992, bericht ik u als volgt. U heeft in uw schrijven gevraagd om klosjes haar om uw haarsoort te definiëren, u heeft eveneens gevraagd deze klosjes in de winkels te plaatsen voor andere klanten die met hetzelfde probleem zitten als u. 

Uit onderzoek is echter gebleken dat onze klanten over het algemeen goed op de hoogte zijn van het soort haar dat zij hebben. Derhalve zijn wij tot de conclusie gekomen dat het plaatsen van klosjes haar geen meerwaarde zal hebben voor onze winkels. Echter hebben wij wel contact gezocht met de fabrikanten van de shampoos die wij verkopen. Zij hebben onderkend dat uw casus in uiterste gevallen een probleem kan zijn en hebben met ons meegedacht.
 In overleg met hen zijn wij hebben wij getracht voor u een passende oplossing te bedenken. In de hoop dat wij hierin zijn geslaagd, biedt onze keten, samen met een aantal van onze fabrikanten u het volgende pakket aan. 

Hopende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd,

Hoogachtend,

Therese Willinga
Senior Director Klantenservice

In het doosje zaten shampoos. Voor elk type haar één. Dure verpakkingen. Luxe verpakkingen. Verpakkingen die mijn zakgeld op zouden slurpen tot het volgende jaar. Mijn vingers draaide de flessen. Herschikte ze in het doosje. Ik  keek mijn moeder aan met stralende ogen. 
‘Waar zijn die voor?’vroeg ze me.
Ik wist niet welke shampoo goed is voor mijn haar, dus ik heb een brief geschreven aan de drogisterij of ze mij konden helpen.'
Ik liet de glimlach van mijn moeder over me heen glijden als een warme deken. Zij zag dus dat ik volwassen aan het worden was, dat ik onmiskenbaar het talent had om dingen voor elkaar te krijgen. Ik was trots. We dronken samen koffie en ik overpeinsde de woorden voor mijn brief.  

Het kussen was die nacht om te woelen. Ik had mijn been over de deken gegooid en de deken weer over mijn been. De deken maakte een s-vorm. De S. die in haar naam voorkwam. Mijn benen waren onrustig. In de holten bij de knie zat een zeurend gevoel, onrust in de maag, zoiets, maar dan in de knieholten. Ik strekte mijn benen een aantal keer. Het gevoel ging niet weg. het leek een beetje alsof er hele kleine rukjes gegeven werden boven de aanhechtingen van spieren, aan de binnenkant van mijn benen. Ze spoorden me aan te blijven bewegen. Hoe langer ik stil bleef liggen hoe onrustiger het gevoel werd. Het kussen naar de koude kant. De benen opgetrokken. Mijn hoofd plat op het matras. Mijn benen gestrekt. Op mijn zij met het kussen tussen mijn benen. Mijn rug in de breedte van het bed. Mijn benen omhoog tegen de koude muur. Gehurkt in bed. De lamp aan. Staan. Wat water drinken. Uiteindelijk naar beneden, naar de huiskamer die verlicht werd door een lantaarnpaal, een glas melk nam ik stiekem, een halfje. Op de bank in het lantaarnpaallicht bleef ik roerloos zitten, ik staarde voor me uit zonder iets in me op te nemen. In mijn hoofd kwam een diesellocomotief op stoom. Het startpunt voorbij en langzaam vaart  makend. Er schoten landschappen aan me voorbij, een blond landschap, een lichte spijkerbroek, kussens, een zee aan kennis, kleine verbindingen. Ik zag wisselsporen waar je links of rechts kon gaan, keuzes werden voor me gemaakt. De diesel bezat geen licht maar denderde voort met als enige passagier ikzelf. Het gerammel en gekraak aan alle kanten werd hoe langer hoe erger, de diesel bleef versnellen. Deuren sprongen open en kleine kiezels sloegen gaten door de ruiten. Buiten flitsten ontblootte witte tanden, handen, strelingen, parels en diamanten; schoten vleugels van gieren en andere aaseters; renden paarden over een strand aan een hemel vol sterren. De wind gierde door de geslagen gaten naar binnen, ik rilde van kou en angst. Twijfel, eeuwigdurende twijfel of ik het levend zou redden tot mijn eindbestemming. De trein stootte over het spoor, een hels gepiep van de remmen. Van heel snel stonden we ineens stil. Voor mij stond mijn moeder, ‘wat doe je hier? Ga eens snel naar bed Matthias, het is hier hartstikke koud en morgen moet je weer naar school. Wat doe je hier’ Ik gaf haar geen antwoord, maar stond op. Mijn blote voeten over de vloerbedekking. Ik liet me naar boven leiden, mijn moeder achter me. Ik voelde haar hoofd schudden. ‘Je blijft morgen niet weer thuis jongen!’ “Nee, mam, ik kon niet slapen. Ik heb last van mijn maag, sorry.’ Mijn moeder zei niets meer terug. In mijn nachtkastje vlamde een brief vol proza en waarheden over de liefde. 

De wekker ging om half zeven. Waar normaal mijn moeder een aantal malen naar boven gilde, stond ik nu al onder de douche. Schoon zijn is belangrijk vandaag. Schoon en proper. In mijn ogen vond ik direct de twinkeling van de dag ervoor terug. Het was aangenaam mijzelf te zien stralen. De handdoek trok ik ruw en snel over mijn rug. Ik poetste de tanden zo hard dat ik bloed uitspuwde. Een aangenaam roze belandde in de gootsteen. Ik boende mijn gezicht, negeerde de donkere donshaartjes boven mijn lip, de schaduw onder mijn neus. Ik herhaalde de handelingen geleerd bij de kapper, en bijna kreeg ik het zoals het gisteren zat. 
Ik trok mijn nieuwe spijkerbroek aan en daalde af naar de woonkamer. Regen. Snoerharde regen. In striemen uit de lucht, slakkensporen op de ramen. Daar ging mijn dag. In de keuken hoorde ik mijn vader nog wat rommelen. Waarschijnlijk zijn brood aan het inpakken.
‘Pahap?’

Drijfnat kwam ik op school aan. De broek had ik toch maar uitgedaan omdat hij anders al onder de modder zou zitten. De polder waar ik door moest was geen garantie voor schone kleren. Mijn haren had ik weggeborgen onder de capuchon van mijn donkerblauwe jas. In het nachtelijk donker was ik verregend, de kleur van mijn dag was weggevaagd, weggespoeld. Als laffe aquarel stond ik hier. Daniël stond bij de klas te praten met twee klasgenoten. Puntgaaf stond hij er bij. Een droge broek, witte sneakers. Ik vervloekte hem. Stoïcijns ging ik aan de andere kant van het klaslokaal staan. Ik deed net of ik hem niet zag. De klootzak. Wie dacht hij daar te zijn? 
Het grabbelen in mijn rugzak resulteerde in een stortvloed aan spullen die over de grond vielen, mijn brood, mijn boeken, mijn gehavende etui, de brief. Bovenop de stapel. Als een speer vloog ik er op af. Duwde hem als eerste terug in mijn rugzak. Op mijn hurken zat ik daar. De gang van de school verlicht door TL-buizen aan het plafond. Midden in de schijnwerpers met een nieuw kapsel, dat zijn eigen entree had gemist. Ik hoorde mensen lachen. Ik voelde enkele vingers naar me wijzen. Ik keek naar de voeten, de schoenen die allen naar mij gericht waren. De witte sneakers van Daniël achterin, ook zij stonden naar mij gericht. Eventjes. Toen stapte ze naar me toe. Ik liet me helpen. Stond op. Keek rond. De aandacht was weer gevestigd op andere dingen, lag niet meer op mij. Behalve zij, ze keek naar me. Hoe zij daar stond, slierten nat haar, grote donkere plekken op haar broek, ik had haar willen vastpakken willen troosten, met een zachte witte handdoek over haar hoofd, fluisterend,’het komt goed.’ Twee ogen die keken. Zag ze diep in mijn ogen dat vandaag de dag was? Zag ze daar nog iets van mijn euforie, mijn glans, de overwinning na mijn zegetocht gisteren? Of zag ze alleen de fletse ogen van een gegrilde vis, die doods, verslagen, niets meer opnamen. Afgestompt. Een klein glimlachje doorbrak mijn twijfel. Ze zag het en ik…
‘waar was je gisteren?’ Ik schrok op. ‘ehm, ik was niet zo lekker. Ik ben in bed gebleven gisteren, hoezo?’ ‘Zeikerd,’ Daniël keek me schertsend aan, ‘Je bent gister naar de kapper geweest Van Krouwelingen.’ ‘Ja, dat ook’ lachte ik hem weg.

In de klas had ik gehoopt nog een blik van haar te mogen aanschouwen. Die kwam niet, en dat nam ik Saïda kwalijk. Die kon aan een monoloog beginnen die de volle vijftig minuten van een les zou duren. De les ging tergend langzaam voorbij. Mijn ogen rolden aan een stuk door een bepaalde kant op. Voor het eerst was ik tijdens de les niet aan het tekenen. Ik had mijn boeken niet gepakt en zat in de schaduw van de grote klasgenoot voor me. Niemand die me zag. Goed verstopt en uitermate bekwaam zat ik opgesteld. Vanaf hier had ik speling. Vanaf hier kon ik gadeslaan, mijn ogen rond laten waren door de klas. Links de ramen. Rechts de muur. Links voor mij. Daar zat ze. Heup naar één kant, blonde haren  (inmiddels platina) en een voetje dat een ritme tikt. Mijn voet ging mee. Ging mee in haar ritme. ‘I love your smile, doo-doo, doo, doo, dooo, doo-doo, dop, doo-doo, doo, doo, dooo, doo-doo, dop I love your smile’. 

Met mijn droge kapsel aan het einde van de les, liep ik op haar af. Iets van bravoure had zich meester van me gemaakt. ‘Had jij ook zo’n last van de regen?’ Uit haar sarcasme bleek dat ze dat had gehad. 

Ik had ergens gelezen dat meisjes afstand veinzen om de interesse te laten blijken. Afstand houden, dan blijft het interessant. Zo interessant dat ik nachten wakker lig? Dat mijn maag samentrekt bij alleen maar blonde haren in mijn ooghoeken op willekeurige plekken? Zo interessant, dat ik dacht haar overal te zien, overal tegen het lijf te lopen? Zo hou je niemand geïnteresseerd? Zo dresseer je mensen! Je zegt ze te stampen op de maat als het moet, je zegt ze 'naar voor!'; 'naar de zijkant, huppelen!' Je berijdt, legt ze de wil op. Zo dresseer je mensen, of in mijn geval, maak je ze knettergek. Van verlangen, van angst. Schuimbekkend sta ik op haar te wachten. Steeds voedt ze mijn hoop, een schepje eraf, een schepje erbij. Zoete suikerklontjes aan hoop. Net genoeg om aan een touwtje te blijven bungelen. 
De zenuwen slaan mij op mijn maag, dit is geen touwtje meer, dit is een elastiek, gegooid van een immens hoge brug, met mij geknoopt aan het uiteinde. Mijn hoofd onder water, mijn hoofd op ongekende hoogten, mijn hoofd suizend naar beneden, mijn hoofd dat zich via de mond ontdoet van mijn maaginhoud. Afstand! Je houdt me een bot voor. Dat bot dat ik zal begraven en koesteren met mijn leven. Je bent lief. Ik hou van je.

De brief had ik keurig in het boek van Aardrijkskunde gedaan. Een les die we net voor de kleine pauze zouden hebben. Het toeval wilde dat ik in die les ook alleen zat en ik hem rustig nog een keer over kon lezen. Voor zover er sprake was van rust. 
Hoewel ik wist welke woorden ik de dag daarvoor had geschreven kwam alles me nu wat overdreven voor: “Je ben in mijn hoofd gegroeid van een schitterend beekje naar een enorme oceaan” en “Ik heb je zoveel te bieden dat ik je nooit teleur zal stellen. Ik ben de moeite waard”. Wie zou daar nu voor vallen, dacht ik, maar juist op dat moment keek ze om. Ze keek me recht in mijn ogen en de seconden tikten weg. 5,6,7 seconden en toen volgde een lach. Mijn hart klopte bovenin mijn keel, voor mijn ogen dansten talloze vlekjes en ik viel van mijn stoel. Kennelijk had ik de brief nog in mijn hand gehad want toen ik bijkwam zat ze gehurkt bij me. Naast mij. 
Het eerste wat ik zag waren haar ogen, die meelijwekkend naar me keken. Haar lange blonde haren hingen aan weerszijden van haar gezicht, haar hand lag op mijn schouder. Het leek of ze zich wou verontschuldigen en pas toen zag ik dat Daniël achter haar stond, zijn hand op haar schouder. De brief klemde in mijn hand. Meer kan ik me van die dag niet meer herinneren. Later pas zou ik horen wat er de dag ervoor was gebeurd, maar toen was het dus te laat.