zondag 20 juli 2014

Zo pluk je wat

In jouw straat staan de cijfers zwart
Zonder kleur bieden ze een summier beeld
Van de wensen aldaar

Een huis, pais en vree, zo veel meer is
daarbuiten nog, schijn je dat te voelen
als je me aanraakt?

Dat ik alles verloor en her en der kleur
schraap met klauwnagels over daken
langs je wang en oog

Voordat ik verder ga, omwille van
connecties, kennis en dat ik je stiekem
wil begrijpen

Zodat ik je mag schrijven
als ik al lang en breed
Je kleur vervaag

vrijdag 18 juli 2014

-

Ik steeg de lucht in lief, zacht
Met nuchtere vliegangst en altijd
dacht ik wel ‘ergens’ in het achterhoofd,
met de lach die onderdrukt

Ik steeg de lucht in vriend, steeds hoger
waar ‘t rommelen van mijn maag altijd stokt
als het personeel rumoert en de gang
barricadeert met het karretje vol prijzig bier

Ik steeg de lucht in mam, pap,
We gleden door de wolken - mijn gedachten aan
-in het blauw van de eindigende dag-
jullie; en de afstand die groeide

Ik steeg de lucht in en kwam neer

En onze blikken richten zich huiswaarts
Naar u en jou en haar,zij, hij en hen
Wij kropen in jullie en gaan niet.
Nooit meer weg…

We stijgen op naar jullie hoofden
Dalen neer met steken vuur
Vlammen onbegrip en onmacht
Vlammen pijn en nog geen troost, maar…

We gaan niet weg
landen elke dag opnieuw
zacht op uw gemis en koesteren
de ruimte van uw binnenwegen

Wetende dat we mogen blijven.

X






dinsdag 8 juli 2014

Veghel: Twee jaar stadsdichter



Zo waren de uitgestrekte dagen ijl en broos, ijs als laag op woestenij
en winterdagen die weergaloos wit verspreiden in afwachting van
het krakend groen … en het kwam

Het waren twee jaren dat grassprieten piepten over de witte vlakten
en zagen, keken naar wat en waar met wie en hoe de zon stond
ten opzichte van de dag die tuimelde in de nacht die volgde

Meer groen werd allengs helderder en sterren in slaaptijd deden
schepjes op de vredelievendheid als men zalig sliep en wij maar
broeden met de drank en besognes die alleen het holst zich toe-eigent

Wij liepen door de Hoogstraat met walmende ogen en rookten
sloegen ineen de armen en bogen onze hoofden naar de schier
onmogelijke po√ęzie die ons ter oren kwam in zinnen die men nimmer herhaalt

Wakker in de zengende zomerhitte droegen we petten om in de schaduw
het heil te vinden en de hoofden koel te houden met wissewasjes onderwijl
wij voortbewegen naar de silo’s van de Noordkade waar men steeds meer vertoeft

En terecht kwamen we als afzakkende in de stijgende sfeer van zwoele
Merengue en opzwepende Jazz die zondagmiddagen tilde en tolde alsof
alsof wat? alsof alles kon … en het kon

Dwalen we door de Bunders waar de weg een helse pijn in de benen
teweeg brengt omdat men huisnummer 13 niet kan vinden en de straatnaam
verandert bij de volgende stap die je rechtdoor zet en het nog steeds

Zomer is

De Zwaluw verdampt dan in okerkleuren waar de regen je inkt weg wast
en amorf neer laat dalen op het papier dat je voor het gemak bij je draagt
de Aa nu geel en bruin en het helderrood kolkt hoger de verhalen

Het park kleurt de zin in port en haardvuur of koffie op de Markt waar
het bruist zoals Veghel ook sprankelt in het naderende winterlicht
dat glibbert als een aal die zijn prooi in zicht heeft en weldra toehapt

En dat alles keer twee.
Op papier
En voor u